Coronalezing 6 – Poëzie

Nu keer ik terug naar de twee lezingen die ik voor de drie Paaslezingen heb gehouden.
De eerste van de twee heb ik op mijn verjaardag gehouden (ik werd 77). Ik vertel daarin over enkele van mijn literaire inspiratiebronnen, waar ik steeds weer voor een frisse dronk naar terugkeer. Het was een traktatie van mij aan mijzelf. Ik hoop dat het jou ook mag smaken.

*

Ik begin met de Argentijnse schrijver Jorge Luis Borges, waarvan ik al meer dan 50 jaar de verhalen, essays en gedichten lees. Hij is voor mij een van de heel groten uit de wereldliteratuur. Ik lees van hem een klein stukje voor waarin hij vertelt hoe hij schrijft.

Wat mij betreft is de gang van zaken telkens min of meer hetzelfde. Het begint met een vorm, een soort afgelegen eiland dat ik ontwaar en dat later een verhaal of een gedicht zal worden. Ik zie het einde en ik zie het begin. Niet wat zich daartussen bevindt. Dat wordt me geleidelijk onthuld als de sterren of het toeval me goed gezind zijn. Ik moet op mijn weg door schaduwgebied meer dan eens op mijn schreden terugkeren. Ik probeer zo min mogelijk in het ontstaansproces in te grijpen.

Hij verwoordt helder en compact hoe het voor hem is. En ook hoe het voor mij is. Wat hij daar zegt is iets dat ik de laatste twintig jaar met hen die me lief zijn, heb kunnen realiseren. Dat de route niet klaar is op het moment dat ik hem presenteer. Ik weet het beginpunt en ik heb een perspectief, een soort horizon, maar daartussenin is het spontaan en improviseren. Benieuwd en verwonderd zijn. Daartussenin ontstaat de wisselwerking, van mij en de muze, van mij en jullie, van jullie en je muze en met elkaar. Met elkaar maken we iets gemeenschappelijks wat er daarvoor niet was. Waarbij ik mogelijk inspirator ben, maar niet bepaler en niet beheerder. Meer aanzetter tot avontuur.
Als je Borges niet kent, ben ik jaloers op je. Wat zou ik het fijn vinden als ik Borges niet kende en hem nu zou leren kennen op mijn 77e. Dan zijn de volgende 3 jaar wel gevuld.

Ik maak een sprong naar iemand anders die ik in dezelfde tijd als Borges leerde kennen. En Borges was ook dol op hem, ik heb het over Zhuang Zi. Van Zhuang Zi is niet veel bekend, het was een mythologische figuur in China. Hij leefde ongeveer van 360 tot 300 voor onze jaartelling. Er is van hem ook een tekst die ik wil voorlezen in de mooie vertaling van Kristofer Schipper.

Het visnet bestaat omwille van de vis. Als de vis gevangen is, kun je het net vergeten.
De konijnenstrik bestaat omwille van het konijn en als het konijn gevangen is, kun je de strik vergeten.
Woorden bestaan vanwege hun betekenis en als je de betekenis begrepen hebt, kun je de woorden vergeten.
Waar zal ik iemand vinden die de woorden is vergeten zodat ik een woordje met hem kan spreken?

Dit vertoont overeenkomst met wat Borges zegt. Woorden zijn zo belangrijk. Ik spreek nu woorden. Ik heb de afgelopen tijd veel videolezingen gegeven en daarin heb ik heel veel woorden gesproken. Misschien sluiten ze aan, misschien niet. Het is als met het visnet en de konijnenstrik, op het moment dat het binnen is gekomen, kan je het woord vergeten en moet je van het woord niet een dogma maken, iets dat vaststaat. Een woord dient tot het levende.
Als ik tegen Hanneke zeg ‘Ik hou van je’, dan is dat een woord, maar wat er gebeurt is iets heel anders. Het is steeds dat gebeuren dat uit het woord voortkomt waarover het gaat. Ik heb het daar de afgelopen keren eigenlijk steeds over gehad. Je hebt mensen die houden van de beweging en de verbinding en datgene wat er gebeurt. En je hebt mensen die houden van het vastgelegde en het zich daarop beroepen.

Het is duidelijk aan welke kant ik sta. Voor mij is een woord het begin. Het woord mag nooit dogma of zekerheid worden. Het woord is datgene dat reist van mond tot oor, van hart tot hart. En wat er dan gebeurt leidt mogelijk tot ontdekking, tot benieuwdheid, tot verbinding, een kring, zoals ik daar de laatste tijd over spreek. En het woord mag weer opzij worden gezet, het woord Boeddha, Leegte, God of Liefde mag opzijgezet worden op het moment dat het is aangekomen bij waar het vóór de woorden is. Daarom zeg ik ook steeds: alle proza is alleen maar opstap. Waar we naar zoeken is naar de poëzie in het dagelijks bestaan. De poëzie in het contact. Dat is wat we met elkaar delen. Dat is waardoor jullie naar mij luisteren. Niet omdat ik je de weg naar God, naar Boeddha of Jezus of naar het innerlijk zelf help te vinden. Als mijn woorden je raken, word je niet naar mij gebracht, naar mijn ideeën, maar dan ontstaat er een trilling die naar jouw scheppingskracht gaat, die jou naar jouw beginpunt brengt. Waar bij jou het beginpunt is. En daarvoor. Op die grens.

En dan de dichter Dèr Mouw, hij leefde van 1863-1919. Hij noemde zich soms Adwaita, zonder twee. Hij was leraar klassieke talen en hij schreef het beroemde gedicht ‘Ik ben Brahman maar we zitten zonder meid’. Waarmee hij aangeeft dat hij god is, de Ene, en dat zijn zelf een goddelijk zelf is, maar dat het tegelijkertijd heel vervelend is dat ze op dat moment geen dienstbode hebben waardoor hij zelf de vaat moet doen.
Een typische spanning, bekend ook. Geestig.

Op een poëtische manier heeft hij die spanning verwerkt in dit gedicht dat ik wel eens eerder voorlas. Het heet Kent iemand dat gevoel….

Kent iemand dat gevoel: ‘t is geen verdriet,
‘t is geen geluk, geen mengeling van die beiden;
‘t hangt over je, om je, als wolken over heide,
stil, hoog, licht, ernstig; ze bewegen niet.

Je voelt je kind en oud; je denken ziet
door alles, wat scheen je van God te scheiden.
‘t Is, of een punt tot cirkel gaat verwijden;
‘t is, of een cirkel punt wordt en verschiet. 

Je denkt: Nooit was het anders; tot mijn Wezen
ben ‘k al zo lang van sterflijkheid genezen.
Je weet: Niets kan mij deren; ik ben Hij. 

Tot zekerheid je twijfel opgeheven,
zo hang je als eeuwig boven je eigen leven:
je bent de wolken en je bent de hei.

Het is een schitterend sonnet. Kent iemand dat gevoel, geen geluk, geen verdriet, het is ook niet die twee door elkaar, het is iets wat er doorheen komt.
Het is hoog, stil, licht, ernstig. Het is als een punt tot cirkel gaat verwijden. Het is waar ik het in de afgelopen lezingen over heb gehad. Zonder middelpunt en zonder omtrek. Als je zo bent in je denken, dat er niet een middelpunt in je denken en niet een omtrek is in je denken. Dat is alsof een punt een cirkel wordt en een cirkel een punt wordt en verschiet. Het is pure meditatie.
Als je zo bent is er geen angst. Dan is er geen volgende stap die moet of die niet mag gebeuren. Steeds is daarin een toevertrouwen en een overgave. Niets kan je deren want je ik is opgenomen in het zelf. Je bent Hij zoals hij het zegt. Tot zekerheid is je twijfel opgeheven.
Voor mij is twijfel  onderdeel van het zijn. Twijfel is het begin van benieuwdheid. Als het rond is, als het klaar is, is er geen benieuwdheid. In de verwondering is een kiem van twijfel: is het werkelijk zo, echt precies zo? Twijfel doet ontwaken uit het dogma, uit het concept en laat je verwonderen. Twijfel doet je deelhebben aan de eenheid. En daarin tot vrede komen. 

Tot zekerheid je twijfel opgeheven,
zo hang je als eeuwig boven je eigen leven:
je bent de wolken en je bent de hei.

Je bent zowel de aarde als de lucht, zowel het ijle als het vaste. Zowel ik als Zelf, dat alles.

Dan een klein gedichtje van Leopold, een tijdgenoot van Dèr Mouw. Hij leefde van 1865-1925.

Hoe ook het lot met kwelling u mag slaan,
wees stil, gij maakt het erger, laat begaan;
wie duwt de golven van de zee terug?
het pogen zelf doet weer een golf ontstaan.

Een prachtig gedicht wat mij bijna mijn hele leven al vergezelt. Het is helemaal waar. Het betekent niet dat je alles maar over je kant moet laten gaan, maar het is waar: wie duwt de golven van de zee terug? Het proberen zelf doet weer een golf ontstaan. Het besef dat het wederstaan van de boze, de boze oproept, dat het afzetten tegen je karma, tegen datgene wat op je afkomt en ongewenst is, dat dat een grotere zwarte kracht is dan datgene wat er feitelijk op je afkomt. Dat het werkelijk gaat om het beantwoorden en niet om wederstaan en terugduwen. Dat geeft hij daar in vier regels weer.

Ik ben over hem gaan lezen. Een lastige man was het. Borges en Dèr Mouw waren ook lastige mannen. Ik ben dat ook en jullie ook. Waar we dat zijn, waar dat beginpunt in ons is, wat je niet kan uitleggen, daarin bots je altijd omdat je daar ook creatief bent. Omdat je op een bepaalde manier uit de toon valt en daarin je eigen toon vindt. En dat is lastig.
Leef er maar mee!

Tranströmer. Hij was psycholoog. 1931- 2015. Bernlef heeft zijn gedichten mooi vertaald.
Ik lees een heel ander soort gedicht.

Slaperig geworden tijdens het rijden
stuur ik de auto onder de bomen aan de kant van de weg
i
neengerold op de achterbank val ik in slaap.
Voor hoelang? Uren. De nacht was gevallen.
Plotseling wakker, herken ik mezelf niet
klaarwakker maar het helpt niet
Waar ben ik, wie ben ik
ik ben iets dat op een achterbank wakker schiet
en in paniek rond worstelt als een kat in een zak
Zie, eindelijk keert mijn leven terug
mijn naam nadert als een engel
buiten de muren klinkt een trompetstoot
als in de Leonore ouverture
en de reddende schreden dalen pijlsnel de al te lange trap af
Ik ben het, Ah ik ben het
maar onmogelijk te vergeten
die strijd van vijftien seconden in de hel der vergetelheid
een paar meter bezijden de hoofdweg
waar het verkeer met licht aan voorbij glijdt.

Ik heb het ook wel eens, dat ik niet weet wie ik ben. Ik heb het vooral als ik mijn middagslaapje heb gedaan. Ik weet dan niet waar ik ben of wat en wie ik ben. Het duurt een tijd voor mijn geest weer in mijn tijdruimtelijke bestaan komt. En dat ik het weer weet.
Hij beleeft het anders dan ik. Hij noemt het ‘die onmogelijk te vergeten strijd van vijftien seconden in de hel der vergetelheid’. Ik vind dat helemaal geen hel. Ik weet niet of ik het een hel zou vinden als het drie uur zou duren, maar ik ervaar dat ik bij bewustzijn ben en aanwezig, alleen weet ik niet hoe en wie ik vroeger was. Een dergelijke ervaring kun je ook hebben als je stoned bent. Het is ook de leegte waar Longchenpa het over heeft. Het is datgene wat helemaal niet in een vorm past.

Nog een dichter: Hans Andreus. Hij werd maar 51, een goede vriend van Lucebert. Hij overleed in 1977. Hij schreef altijd over het licht. Ik lees zijn laatste gedicht dat hij schreef vlak voor zijn dood. Het heet Laatste gedicht.

Dit wordt het laatste gedicht dat ik schrijf,
nu het met mijn leven bijna is gedaan,
de scheppingsdrift me ook wat is vergaan
met letterlijk de kanker in mijn lijf,

en, Heer (ik spreek je toch maar weer zo aan,
ofschoon ik me nauwelijks daar iets bij voorstel,
maar ik praat liever tegen iemand aan
dan in de ruimte en zo is dit wel 

de makkelijkste manier om wat te zeggen),-
hoe moet het nu, waar blijf ik met dat licht
van mij, van jou, wanneer het vallen, weg in 

het onverhoeds onnoemelijke begint?
Of is het dat jij me er een onverdicht
woord dat niet uitgesproken hoeft voor vindt?

Andreus, die altijd over het licht schreef en het licht bezong. En die nu op het eind met de kanker in zijn lijf zegt: Heer, ik noem je zo, maar ja, als ik je leegte noem, geef ik er ook een naam aan. Heer ik praat liever tegen iets dan dat er niets is, want dat is ook weer iets.
Heer, wat moet dat nou met dat licht, waar blijf ik nou met dat licht van mij?

Als je wat ouder wordt, ga je je dat afvragen: wat blijft er van mij over, van dat licht, van dat individuele, van de uitstralende essentie, is het licht wat door gezicht heen gaat en waarin gezicht oplost. Heer, wat gebeurt er met het licht van mij, van jou, wanneer het vallen weg in het onverhoeds onnoemelijke begint. Dat vallen wat we allemaal aan het doen zijn en zullen doen. Hij noemt het: vallen in het onverhoeds onnoemelijke. Niet hemel, hel of vagevuur. Of is het dat jij, heer, mij er een onverdicht woord dat niet uitgesproken hoeft, voor vindt. Dat stel ik me ook wel eens voor. Dit onvoorstelbare.

Ik kom terug bij Borges en Zhuang zi, dat er een woord is voor de woorden. Een woord dat niet een vorm heeft aangenomen. En wat achter de woorden woord is. Het woord dat in God is, in de eeuwigheid, in de diepte van de ziel is, en dat dat woord toch bestaat en bestaansrecht heeft, dat het uniek is terwijl het niet van een individu is.
Niet persoonlijk, wel uniek, een kleur, een essentie. En toch er is en niet er is. Omdat het niet kan worden meegenomen en opgeborgen in een doosje.
Dat wonder is wat mij beweegt. Dat is wat ik benieuwdheid en verwondering noem en waarmee we het nu in deze crisis kunnen redden. We moeten wel regels en vormen maken. Maar dát vanbinnen, wat zich losmaakt van de vorm en wat je kunt omringen met woorden als liefde en helderheid en ongebrokenheid, waarvan je ziet dat het een bewegend niets-iets is dat zich uitdrukt in het dagelijks gebeuren.
Het onverhoeds onnoemelijke begint, een on-verdicht woord dat begint en niet uitgesproken hoeft en dat we toch steeds weer uitspreken.

Tenslotte een van de grootste dichters die ik ken. Een van zijn namen is Longchenpa, een Tibetaan. Ik lees een klein stukje van hem. 

De waarheid van de oorspronkelijke puurheid wordt niet gevonden doordat je ernaar zoekt.
Verlichting, boeddhaschap, is aanwezig binnen het natuurlijke uitspansel.
En aangezien het reeds volbracht is, is er geen enkele noodzaak om het opnieuw te volbrengen.
Span je niet in voor dat wat zonder verandering is
en wat spontaan aanwezig is.

Tot zover.

 

Deze lezing is wederom uitgewerkt en geredigeerd door Liny Bosland en Joan Galama.

De lezing is ook als podcast te beluisteren.

Geplaatst in Hans' weblog
6 reacties op “Coronalezing 6 – Poëzie
  1. hans de groot schreef:

    Mooi!

  2. Miomi Pront schreef:

    lieve Hans , gebroken in aangeraakte herkenning in je delen van wat in woorden niet zijn essentie vind..;
    en in al dit gene waarmee je ons voed en in me aan herkenning raakt..zegt alles in mij : in een woordloze omarming ; “ik heb je lief..
    met diepe dank..voor dit moment van leven..
    Miomi

  3. Siranouch schreef:

    ontroerd..dank

    • Rob van der Poel schreef:

      Dag Hans, jouw woorden en die van de door jou geciteerde schrijvers en dichters zetten me in beweging, ze roeren en raken… ze leiden me naar liefde en verwondering, naar verbondenheid en dankbaarheid, naar ziel en zaligheid, of dat wat zich door mij wil uitdrukken… veel dank ook aan de mensen die de laatste tijd alle lezingen hebben uitgeschreven. En fijn, ik kan ook weer drie jaar vooruit 😉 xx

  4. “Hoe ook het lot met kwelling u mag slaan,
    wees stil, gij maakt het erger, laat begaan;
    wie duwt de golven van de zee terug?
    het pogen zelf doet weer een golf ontstaan.

    ……. wie duwt de golven van de zee terug? Het proberen zelf doet weer een golf ontstaan. Het besef dat het wederstaan van de boze, de boze oproept, dat het afzetten tegen je karma, tegen datgene wat op je afkomt en ongewenst is, dat dat een grotere zwarte kracht is dan datgene wat er feitelijk op je afkomt. Dat het werkelijk gaat om het beantwoorden en niet om wederstaan en terugduwen.”

    Bovenstaande treft me. Ik worstel op dit moment met de vraag of alle -geforceerde?- maatregelen tegen het verspreiden van Corona, niet een paniekreactie zijn, een ontkenning van onze sterfelijkheid en van het feit, dat we uiteindelijke geen controle hebben. Zijn deze maatregelen (zeker de heel strenge op dit moment in de UK) niet precies hetzelfde als ‘wederstaan en terugduwen’ en heeft het weinig met ‘beantwoorden’ te maken? En dat het dus een grotere zwarte kracht is dan datgene wat er feitelijk op ons afkomt? Zijn we niet als maatschappij nu volkomen verkeerd bezig met het echte leven te onderdrukken om ‘levens te redden’? En zou ik daarvan de consequentie moeten nemen en er niet meer in meegaan en daardoor buiten ‘de wet’ vallen?

  5. Ria Driever schreef:

    Werkelijk PRACHTIG, Hans! Blij ben ik om weer door je teksten gevoed te worden /met je in contact te zijn / over twijfel, benieuwdheid, zonder middelpunt of omtrek, over lastig zijn en het licht DANK JE WEL! Een hartegroet van Ria

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*