De meester en de leerling (25)

 

Ik kreeg een paar dagen geleden een brief van een vriend, waarin hij schreef over zijn diepe wens om helderheid te brengen. Zijn woorden raakten mij en ik schreef terug: Mooi die weergave van waar je toewijding ligt. Ik zou dat nooit zo kunnen formuleren, ook al volg ik je op de voet en beaam ik wat je zegt. Ik zoek nu naar woorden hoe ik het zou formuleren, maar de woorden komen niet. Wat ik zeker weet is dat het een urgentie is om te verbinden, vanaf heel jong.
Ik bleef erover nadenken. Vandaag kon ik eindelijk naar buiten. Er ligt hier een dik pak sneeuw en het vriest flink. Voor het eerst in een week was ik helemaal op mijzelf. De zon scheen, het was heerlijk buiten. Op sommige stukken van het pad was de sneeuw ongerept. Dat kraakt zo lekker en het is daar ook niet glad.
Al lopend dacht ik vanzelf na over de vraag die ik  mijzelf had gesteld naar aanleiding van de brief van mijn vriend. Een urgentie om te verbinden, was mijn eerste antwoord geweest. Dat was het inderdaad, maar het was toch ook nog iets anders. Vanaf heel jong, had ik eraan toegevoegd, maar ook daaraan twijfelde ik nu, want ik was toch niet bepaald een kind dat op verbinding uit was. Ik was, behalve met mijn vrienden, vooral lastig en rebels en agressief – altijd in de contramine, was de term die mijn ouders gebruikten.

Deze afbeelding heeft Aly Kuiken gemaakt, geïnspireerd door mijn verhaal over de bakfiets in het zand

Het lopen door de sneeuw deed wel wat denken aan het lopen door zand. Het is anders lopen met zo’n verschuivende weerstand. Daardoor kwamen de herinneringen boven. Aan het strand in Scheveningen. En daarna aan het zand in onze straat, toen ik een klein kind was. Er lagen geen stenen in de straat, het was een grote zandbak, meteen als je de deur uit liep. Dat kwam door de Duitsers. Wij woonden op de grens van de Atlantikwall, de verdedigingslinie van de Duitsers, waarvoor een paar duizend huizen waren afgebroken (wij noemden het uitgestrekte open land dat 100 meter van ons huis, direct aan het eind van de straat, begon dan ook de kapotte huizen). Aanvankelijk had ook onze straat deel moeten uitmaken van de Atlantikwall, maar op het laatste moment was besloten om de huizen te laten staan en ze beschikbaar te stellen voor mensen in nood, zoals wij, ons gezin, nadat een bom, een blindganger ons huis in de Celebesstraat had getroffen. Daar herinner ik mij allemaal niets van (het is mij verteld als een van de vele mythen van de jeugd), maar al dat zand herinner ik mij wel, in onze straat, bij de tankgracht en de kapotte huizen, en dat het overal in zat, in mijn sokken en schoenen, in mijn haar en ook in mijn bed.

En daar in het zand begint een korte filmische herinnering. Het was zomer, de zon scheen, we waren aan het spelen, toen er een bakfiets de straat in kwam rijden. Een oude vrouw met een gerimpeld gezicht, in lappen gehuld, zo herinner ik het mij, trapte de bakfiets zwoegend vooruit en in de bak van de bakfiets zat rechtop een dikke grote man, die gromde en loeide, hoorden we toen ze dichterbij kwamen: ‘Groe, groe, hoei, hoei.’ De oude vrouw trapte de bakfiets door het zand tot ze niet verder meer kon en halverwege de straat strandde, vlak voor ons huis. De dikke man bleef zitten waar hij zat en hielp haar dus niet om de bakfiets vooruit te duwen, maar, ook al had hij dat wel gedaan, er was geen vooruit, want aan het eind van de straat was alleen maar de kapotte huizen en dat leidde nergens naar toe.
We waren met veel kinderen in de straat en die kwamen van alle kanten om de bakfiets heen staan en begonnen al heel snel te joelen en, als indianen om een huifkar, om de bakfiets met de vrouw en haar idiote zoon heen te rennen. Ik vermoed dat ik daaraan ook mee deed. Er werd met zand gegooid, handenvol zand, steeds meer, de dikke man loeide nog harder en de vrouw dook ineen.

Ik ken dit verhaal doordat mijn moeder het vaak heeft verteld en misschien herinner ik het mij zelf ook. Dat kan ik niet meer onderscheiden. Maar ik weet zeker dat wat er vervolgens met mij gebeurde mijn herinnering is, want dat heb ik nooit aan mijn ouders verteld. Wat er gebeurde was dat het leek alsof alles stilstond. Vlak daarvoor nog was ik opgewonden geweest, maar er was nu geen opwinding meer, het was stil en ik keek alleen maar, alsof ik er niet meer bij hoorde, bij de kinderen en de straat. Ik zag de vrouw en haar zoon, ik zag hoe hulpeloos ze waren, hoe ze daar vastzaten in het zand en hoe ze er niet meer uit konden komen, en ik wilde dat het stopte. Dat was eigenlijk het enige wat ik wilde: dit moest stoppen en dat riep ik ook: ‘Houd op, houd op.’ Ik schreeuwde het uit.
Toen kwam mijn moeder naar buiten, zij had mij, haar jong, horen roepen en overzag het slagveld. Zij greep meteen in, liet de kinderen stoppen met joelen en zand gooien, en hielp toen samen met de kinderen de vrouw met haar grote kinderwagen, want dat was het eigenlijk, de straat uit. De laatste herinner ik mij niet meer, dat vertelde mijn moeder later, niet één keer, maar vele malen.

Mijn moeder was trots op mij omdat ik niet had meegedaan met het pesten en omdat ik het had gewaagd om tegen de massa in te gaan. Dat werd door mijn beide ouders zeer gewaardeerd. Ik had, dat bleek, een goede daad verricht.
Maar voor mij had die gebeurtenis een volkomen andere betekenis. Ik had iets gezien wat ik nog niet eerder zo helder had gezien. Ik had gezien, zonder dat ik er doorheen gemengd zat, dat iemand, een ander, een volwassene, volkomen vast kwam te zitten, dat het uitzichtloos was, verdriet, wanhoop, en dat het niet aan de andere kant gebeurde, bij die oude vrouw met die bakfiets en die dikke man, maar dat het ook met mij gebeurde, dat ik met hen was, met hen samen, en dat dit vreselijke moest stoppen, dat het kon stoppen, en dat ik het moest doen, omdat er een kracht in mij was, die door mij heen kwam, waar ik helemaal bij hoorde, net zoals ik bij mijn ouders hoorde, maar dan toch anders, die wilde helpen en het goed wilde maken.

En dat is mijn diepste toewijding. Nog steeds. Ik wil hulp bieden, eerste hulp, tweede hulp, derde hulp, troost, doen wat juist is om de ellende te stoppen van mensen die van de weg zijn afgeraakt en zijn vast komen te zitten in de weg die niet meer hun weg is. Ik wil hen helpen om weer op te staan en om te keren en als dat nodig is wil ik hen ook helpen duwen.
Dat wil ik niet omdat ik het wil, maar omdat ik zo ben. Eerst is er het zijn en dan pas het willen. En ik besef nu door de brief van mijn vriend en mijn antwoord daarop, dat ik misschien toch wel meer dan een leraar een verpleger ben, een verzorger, een pastor. Iemand die stop zegt en bijspringt en richting wijst uit het mulle zand waar ‘de bakfiets’ is vastgelopen. Van hand tot hand.

Longchenpa, Markus, Johannes, en al die andere leraren, ik heb hen lief, zij wonen in mijn hart. Hun woorden geven inzicht, besef, maar voor mij is meer wezenlijk dat zij mij bewegen tot vanzelfsprekend mededogen, waardoor de verlamming wordt opgeheven, niet in de eerste plaats bij mijzelf, maar in de wereld waarin ik leef.

(wordt vervolgd)

 

Print Friendly, PDF & Email
Geplaatst in Hans' weblog
4 reacties op “De meester en de leerling (25)
  1. liny schreef:

    Altijd schrijf je alsof je een persoonlijk gerichte brief zit te typen.
    Ook aan mij.
    Eerst is er het zijn en dan pas het willen.
    Al wel tien keer gelezen. Dankjewel Hans!

  2. Icb schreef:

    Alleen maar je hart openen… onvoorwaardelijk… en de ander voeden met wat je te geven hebt… en wederzijds, zonder angst, je durven laten voeden door de ander, zelfs (of juist?) door de gewonde ziel…

  3. gert braakman schreef:

    Dag Hans,
    Fijn om weer iets van je te lezen. We hebben al heel lang geen contact gehad. Wat je schrijft is heel treffend; dat de behoefte om te helpen pas ontstaat als je bij anderen pijn van het vastzitten ziet. Ik ervaar dat nu heel sterk omdat ik in een woongroep woon met veel oudere mensen die nu de één na de ander gebrekkig worden en soms tegen hun zin naar een verzorgingshuis moeten. Dat gaat altijd met heel veel pijn en verdriet gepaard. Het maakt in mij veel wakker en nodig me uit om steun te zijn.

  4. Ben Mentink schreef:

    Prachtig Hans! Dank je wel.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*