Deze diersoort die nergens in gelooft

DEZE DIERSOORT
Een brief voor Hugo en vervolgens voor iedereen die het wil weten

Mijn oudste vriend, Hugo, kijkt vanuit zijn ooghoeken naar mij met een mengeling van ongeloof, verbazing, medelijden en toegeeflijkheid. Het gebeurt even, heel even, maar ik zie het wel. Ons kent ons. Hij kijkt alsof ik een van de laatste exemplaren ben van een met uitsterven bedreigde diersoort – de homo religiosus. Het wordt tijd voor een toelichting, een update. Een update over God en godsbesef. Over God, die niet mijn god is, en het godsbesef dat wel van mij is.

Een gemeenschappelijke vijver
Oude vrienden zijn goud waard. Je kent elkaar van haver tot gort. Er is een grondtoon van genegenheid, van liefde, en je waardeert elkaar zonder overschatting of onderschatting (al dat soort overdrijving is er in de loop van de tijd wel afgesleten). Je hoeft niets op te houden, je hoeft niet extra voorzichtig te zijn, je hoeft eigenlijk niets. En juist daardoor kan het alle richtingen opgaan.
Met een oude vriend deel je een gemeenschappelijke vijver aan herinneringen, waaruit je kunt putten en waaraan je kunt refereren – een vloeibaar referentiekader. Dat is heel prettig. Verhelderend vaak, immers ook in het persoonlijk bestaan herhaalt de geschiedenis zich. Bovendien zijn herinneringen vaak voedingsbodem voor inspiratie. Zowel de herinnering zelf als ook het alternatief, het niet gedane dat besloten ligt in de herinnering.
Er schuilt natuurlijk ook een gevaar in dit steeds maar weer samen vertoeven rond de gemeenschappelijke vijver aan herinneringen. Er gaat van al die herinneringen, dat volledige onvolledige vroeger, een zuigende en verdovende werking uit waardoor het actuele bestaan en de actuele relatie aan het zicht dreigt te worden onttrokken.
Daarom, om te vermijden dat je samen zachtjes verdwijnt in het vergeelde fotoalbum dat je zo lief is, moet er regelmatig een bijstelling in de actualiteit plaatsvinden. Een update. Een upgrade.

Achtergrond
Hugo heeft zelf een religieuze achtergrond. Hij is van theosofische huize. Zijn ouders waren bevlogen idealistische en ethische mensen – intelligente, goedwillende, in de pure zin van het woord, en lieve mensen. Hij had het getroffen met zijn ouders, vond ik al als jongen van twaalf, ook al vond ik hen wel overdreven bezorgd en ervoer ik hun warme vriendelijkheid (zeg ik achteraf, maar iets daarvan ervoer ik toen al) ook als benauwend. Bij hen thuis was de mens goed, in principe goddelijk, maar je kon diep vallen, een vergissing was zo gemaakt, en als je viel, viel je tegen, uit de gratie, uit het paradijs. Ik weet niet of dat echt zou gebeuren, ik was er in ieder geval bang voor. Ik had het gevoel dat ik vooral met onfatsoenlijke, onverfijnde dingen voorzichtig moest zijn. Beschaving en cultuur stonden voorop en alles wat met seks en agressie en ruwheid te maken had was taboe, en juist deze grove, ongezuiverde krachten vervulden mij. Het was dus niet alleen prettig, maar ook gevaarlijk in de warme sfeer waar zijn moeder lekkere koekjes op een schaaltje en bekers met anijsmelk binnenbracht, terwijl wij ons huiswerk aan het maken waren. Ik sloeg mijn ogen neer, want het rode spoot eruit, en als ze dat zagen…

Ik wist wat het was om uit het paradijs te vallen. Mijn vader was gereformeerd opgevoed en had zich losgemaakt van alles wat georganiseerd geloof was, maar omdat hij zijn ouders niet te zeer voor het hoofd wilde stoten, moest ik wel naar een lagere school op protestants-christelijke grondslag. Op die school werd ik klaargestoomd voor een goed christelijke toekomst. Naast rekenen, taal, geschiedenis (vooral de 80jarige oorlog en de geschiedenis van het Huis van Oranje) en aardrijkskunde (vooral Nederland en zelfs nog in 1955 Nederlands-Indië) stond Bijbelkennis hoog op de agenda, misschien wel bovenaan. En bij Bijbelkennis draaide alles om de Here Jezus en hoe de Here Jezus alles goed had gemaakt, en eigenlijk nog steeds goedmaakte, wat wij mensen verkeerd hadden gedaan. Hij was voor onze zonden gestorven, en de reeks van onze zonden was begonnen in het paradijs toen Eva en Adam, in die volgorde, aten van de verboden vrucht van de boom van de kennis van goed en kwaad. Zij hadden in hun domheid en slechtheid van die vrucht gegeten en waren daarom door God, die alles zag, uit het paradijs verdreven. Het kon raar lopen, maar het was zeker dat er achter alles een duistere afgrond was waarin je kon wegglijden, en als dat gebeurde was je verloren. God zag alles en God strafte onmiddellijk.

Ouder en wijzer
We werden ouder en, naar we zelf meenden, wijzer. Hugo werd geen theosoof, maar hij trad in zekere zin wel in het voetspoor van zijn ouders, want hij werd een ethisch bevlogen mens, een kunstenaar, een politiek kunstenaar, een op harmonie gerichte revolutionair. Hij kreeg andere Meesters dan zijn ouders, geen verticale Meesters, die in dienst stonden van de Grote Hiërarchie van Lichtdragers, maar hij kreeg wel degelijk meesters, horizontale meesters, oude anarchisten vooral, die het welzijn van de mensheid en de wereld voor ogen stond, sociale profeten, en hij trad ook toe tot een wereldomspannend netwerk van revolutionaire bouwers ten behoeve van de mensheid en de wereld als geheel en vervulde daarbinnen een leidende rol – de rol van een wereldleraar met een kleine w. Anders dan zijn ouders echter beschouwde hij zich niet als onderdeel van een goddelijk evolutionair plan waarbinnen hij, de mens, een functie vervulde en ging hij er niet van uit dat achter alles en door alles heen een essentiële macht, een Monade of een God, werkzaam was. Ik hoorde hem in ieder geval nooit iets dergelijks beweren.

In diezelfde tijd maakte ik een dramatische ontwikkeling door. Na een tijd van verwarring en eenzaamheid ontdekte ik dat ik niet een aan willekeurige krachten onderhevig fragmentje was in een chaotische onbeheersbare toevalssoep, maar dat er een bedoeling was met mij en met ieder mens – de bedoeling om het innerlijk potentieel te realiseren en zo volledig mogelijk in liefde samen te leven met alle andere levensvormen. En wat nog verheugender was: ik ontdekte dat ik niet alleen was in deze onderneming, maar dat het bestaan weldadig was en dat er hulp was die mij tegemoet kwam. Hulp van mensen, en daarachter en daardoorheen goddelijke hulp. Dit gehele bestaan was een goddelijk bestaan en alles vond plaats binnen zinvolheid.
Zinvolheid was een sleutelwoord in die tijd. Zinvolheid was, zoals ik het zag, een geheime grondwet van het bestaan en deze grondwet werd steeds weer bevestigd in mijn persoonlijke ervaring. Er was, als in het labyrint van koning Minos, een leidraad die ik kon volgen door het duister naar het licht. Deze leidraad vond ik in mijzelf, in mijn intuïties en mijn dromen en ik vond hem evenzeer buiten mij, in boeken en in mensen. Wanneer ik de leidraad, die ik ook wel geweten of innerlijk weten noemde, volgde, ervoer ik dat het bestaan zinvol was. Dat was een belangrijke ontdekking. Ik ervoer dus niet dat het bestaan op zich zinvol was, maar dat het potentieel zinvol was, en dat het aan mij was om de zinvolheid te realiseren. Ik was niet alleen speelbal in dit universum, ik was ook medespeler. Om volop medespeler te kunnen zijn, moest ik mijn geweten volgen en mij niet laten bepalen door kleine persoonlijke belangen. Persoonlijk werk ging hand in hand met het werk ten behoeve van het algemeen welzijn. Dit hield in dat ik mij in mijn handelen niet meer kon laten bepalen door motieven die ik als onzuiver herkende, zoals angst of gemakzucht of financieel gewin. Ik begon, zoals ik dat zelf noemde, bewust te leven en besefte dat ik juist in mijn uniciteit deel uitmaakte van een broederschap van bewust levende mensen. Ik werd boodschapper en vurig verkondiger, in woord en geschrift, een combinatie van therapeut en profeet. Gaandeweg kreeg ik volgelingen.

Grote overeenkomsten dus tussen de weg die Hugo en ik gingen in het derde decennium van ons leven. Maar doordat er grote verschillen waren in het werkingsveld en niet te vergeten in onze persoonlijke filosofie, zag ons werk er qua vorm volkomen anders uit.

En nu?
En nu, hoe is het nu 40 jaar later gesteld met mijn religiositeit en met mijn geloof in God in het bijzonder?

Laat ik beginnen met te zeggen dat de urgentie is verdwenen. Er is geen geloofsijver meer. De koorts is gezakt, de bekeringsdrang is verdwenen, en op de keper beschouwd is er ook geen geloof meer. Ik geloof eigenlijk nooit meer in God. Er is niet meer een instantie, een alles bestierende macht waaraan ik verantwoording schuldig ben en er is ook niet meer een aparte hoogste autoriteit tot wie ik mij kan richten. Ik geloof trouwens ook niet dat er geen God is.
Ik heb niet meer een voorstelling van datgene wat er met mij en de mens in het algemeen na de dood gebeurt. Ik geloof dus niet in een hemel of een hel of een vagevuur of een vorm van reïncarnatie. Ik schreef in mijn boek Het lot & de liefde: Ik weet niet of er zoiets bestaat als een persoonlijk voortbestaan na de dood. Ik twijfel er eerlijk gezegd aan of het samenraapsel van herinneringen, eigenaardigheden en geneigdheden waarte­gen wij ‘ik’ plegen te zeggen in staat is de poort van de dood te passeren. Lijkwagens hebben geen imperialen, doodskleden geen zakken. De dood is een laatste muur, waar ik alles wat ik weet en kan en bezit voor moet afleggen. En wat blijft er dan over? (…)
Dus wat mij betreft is er niets dat ik mij kan voorstellen voorbij dat laatste moment. Hoe dat eruit ziet? Als niets dat ik mij kan voorstellen.

Deze laatste woorden geven precies weer wat ik zie wanneer ik mij de diepste vragen stel: Het is als niets dat ik mij kan voorstellen.
God is als niets dat ik mij kan voorstellen. Voor de geboorte is als niets dat ik mij kan voorstellen. Na de dood is als niets dat ik mij kan voorstellen. Mijn lieve vrouw is als niets dat ik mij kan voorstellen. Mijn vrienden, mijn kinderen, mijn kleinkinderen en mijn buren, God en alle mensen, ik kan van alles over hen zeggen, dat doe ik bij tijd en wijle ook graag, maar uiteindelijk, als het erop aankomt, zijn zij niets dat ik mij kan voorstellen.

Een vals kristal
Dit is een ontwikkeling van de laatste tien, vijftien jaar. Ik geloofde heel veel en ik geloof steeds minder. Misschien wel niets.
Niets. Zonder nihilistisch te worden.
Ik geloof niet in iets. En ik geloof ook niet in niets.
Ik geloof niet in een God en een bestaan na de dood en ik geloof ook niet niet in God en niet in een bestaan na de dood.

Geloof is een vals kristal en ontneemt de ware toedracht aan verleden, heden en toekomst, zei een vrouw aan wie ik veel te danken heb vlak voor haar dood. Dat is mooi gezegd!

Zinvolheid
En zinvolheid, het zicht op een kloppend, weldadig bestaan dat ik kreeg in moeilijke tijden?
Dat vraagt nog een apart antwoord.

Laat ik het kort houden: alles klopt.

Iets langer: alles is zoals het is en alles wat weerstaat zoals het is lost uiteindelijk op in wat is.

Nog iets langer: liefde is het gegeven, de dood is de opgave en het lijden het probleem – alles is bewustzijn en bewustzijn is liefde, niet ergens hier buiten, maar in alles. Ook de afwending van bewustzijn, wat wij kwaad noemen, is bewustzijn – bewustzijn dat tijdelijk in zichzelf verwikkeld is.

Nog iets langer: Het is soms verschrikkelijk moeilijk om te leven, te bestaan. Het is buitengewoon beangstigend voor bewustzijn dat zichzelf als iets beschouwt om deze zelfbeschouwing los te laten. Er is een tendens in het iets-bewustzijn om zichzelf voort te zetten, te streven naar eeuwige continuering. Indien het iets-bewustzijn zich in dit streven verliest, verliest het tevens datgene wat het voedt en waaruit het voortkomt: de liefde.

Niets is zo dodelijk als het ontkennen van de dood.

En dit alles, zowel de liefde als de dood, zowel het vermijden als het toevertrouwen, zowel het lijden als de vlucht, dit alles is God.

Dit zie ik nu. Ik ben 70. En ik zag het toen ik overtuigd was van Gods heilzame werkelijkheid en de taak die ik in Zijn werkelijkheid had. Ik zag engelen afdalen en opstijgen. Ik was 30. Ik las de Bijbel en boeddhistische Soetra’s. Ik was 40, ik was 50. Er waren leraren die mij direct aanspraken, Jezus Christus, de Boeddha, Longchenpa, Van Vlissingen, Rabbi Menachem Schneerson, Huang Po, J.W. Kaiser, Martin Buber, leraren die verwoordden wat ik wist maar zelf niet kon zeggen, leraren die ik dankbaar ben. Ik was 50, ik was 60. Maar niemand leeft mijn leven en niemand kent mijn dood. Zij allen wekken liefde, mededogen, zij allen geven namen aan de weg, woorden om tot liefde te komen. Maar niemand leeft mijn leven en niemand kent mijn dood. Ik was 60, ik ben 70. Dit alles is mijn leven.
Hiervan ben ik deel.
Dit is God.

Mijn oude vriend, ik vind het heel fijn dat ik je ken. Ik hoop dat wij nog lang samen in God mogen zijn.
Binnen enige tijd gaan we die deur door, die misschien geen deur is. Dat andere. Wie weet.

Wie weet. Mijn lieve oude vriend.

Dit weet ik.

 

Hans

Geplaatst in Hans' weblog
1 Reactie op “Deze diersoort die nergens in gelooft
  1. Tine Hoitsma schreef:

    Ik lees en herlees dit stuk en het inspireert me steeds weer opnieuw.
    Dank je wel Hans.
    Tine

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*