In het paradijs (11)

‘Om Gods wil, ik haat haar toch!’
‘Juist daarmee voedt u haar!”
‘Ik vervloek haar tot in de uiterste afgrond van de hel, die haar vaderland is. Ik verafschuw, ik wurg, ik vermoord haar, als ik maar kon, als ik maar wist hoe…’
‘In dit vuur voelt zij zich bemind. Niet zonder reden, naar het mij toeschijnt.’ (Gustav Meyrink, De engel van het westelijk venster)

Als hart en seks niet samengaan, wordt het hart droevig en, wanneer daarop geen acht wordt geslagen, zwaar en moe. De partners zijn elkaar dan misschien nog een tijdlang ter wille, maar ten slotte wordt de seks toch te veel een last en dooft uit. Dat wil niet zeggen dat dan de verhouding ten einde is, want er is ook nog zoiets als kameraadschap en er kan een diepe genegenheid groeien waar hart zich met hart verbindt.
Het is echter ook mogelijk dat er juist doordat hart en seks niet samengaan een nieuwe scherpte komt in de verhouding. Dan ontstaat er een toenemende spanning en opwinding, die zijn prikkel vindt in macht, in de verleiding die tot onderwerping en overheersing leidt, en eigenlijk dus in haat. Hoe gek het ook mag klinken, haat is een krachtig afrodisiacum. In de hel is haat de afglans van liefde.
En dan is er natuurlijk altijd nog de mogelijkheid om vreemd te gaan. Als je vreemdgaat kun je toch weer even opnieuw beginnen, lijkt het.

*

Maar als het een mens gelukt om over de brug van het leven naar de overkant te schrijden, dan is dat een geluk voor de wereld. Het is bijna meer dan dat haar de verlosser wordt geschonken. Er is slechts een ding van node. Iemand alleen kan dit doel niet bereiken. Hij behoeft daartoe een gezellin. Het is alleen door hun verbinding van mannelijke en vrouwelijke krachten mogelijk. Daarin schuilt de geheime zin van het huwelijk, die de mensheid al sinds duizenden jaren verloren heeft. (Gustav Meyrink, Het groene gezicht)

Onder andere door mijn werk aan Het groene gezicht begon ik te beseffen hoe noodzakelijk het was, om het in alchemistische taal te zeggen, dat de retort gesloten bleef, zodat het spanningsvolle proces van omzetting en reiniging van de twee polen in beslotenheid kon plaatsvinden. Het was de tijd van de vrije seks, van ‘het moet kunnen’, maar ik wist dat een promiscue levenswandel mij niet over die brug zou helpen, de brug van het leven, waar Gustav Meyrink over spreekt. Ik had er geen algemeen oordeel over en het was ook niet een moreel principe, meer een soort economisch principe. Ik wist dat monogamie voor mij, zoals ik was, de kortste weg was, en dus ook het meest doelmatig, om hart en hoofd en wil en seks samen te laten komen. Mijn rivier met al die verschillende stromingen had zo’n bedding nodig. Ik was er zeker van dat de woorden van Meyrink voor mij waren geschreven en dat ik deze ascese en deze yoga moest betrachten.

Tot het mij en mijn vrouw niet meer lukte en wij beiden uit de band sprongen, vreemdgingen, de retort braken. Een emotionele, hartstochtelijke periode, die twee, drie jaar duurde en tot onze scheiding leidde. Het was een moeilijke scheiding, omdat we hecht verbonden waren geweest en een creatief vuur deelden. Het was vooral bijzonder pijnlijk omdat we drie kinderen hadden.
Toen de scheiding er bijna door was, droomde ik, dat ik een alchemist was en dat ik vanuit mijn huis, waar ik met mijn vrouw woonde, naar ons laboratorium ging waar wij met een alchemistisch werk bezig waren. Mijn vrouw lag nog te slapen. Het laboratorium bevond zich in een oude stenen toren, die los stond van het huis, en ik moest een binnenplaats oversteken om er te komen. In het midden van het ronde laboratorium was een bron waar ik het water putte dat we voor het alchemistische werk gebruikten. Op het moment dat ik het laboratorium inkwam, zag ik over de rand van de bron ratten rennen, achter elkaar aan, in een cirkelgang, en ik wist meteen: het is mis. Het was onmiskenbaar: het werk was gebroken.
Ik keerde mij om om mijn vrouw te halen en zag toen dat de deur, waardoor ik zojuist het laboratorium was binnengekomen, met brede ruwe planken was dichtgespijkerd. Ik had het niet gehoord, ik had het niet gezien, maar het was wel gebeurd.
Ik werd wakker en wist dat er geen terug was. Ons huwelijk was onherroepelijk voorbij. En ik wist ook iets anders, namelijk dat het Grote Werk, dat wij nu al zoveel jaren beoefenden, was gebroken, en dat dat een nog diepere scheur was. Ik besefte, voor mij uit starend in de ochtendschemering, dat het volkomen fout was dat we gingen scheiden en dat er niets aan te doen was.

Pas later, toen Hanneke en ik van elkaar gingen houden en elkaar trouw beloofden, kwam het Werk met de ander tegenover mij weer op gang.
Het Werk bleek de kern te zijn van onze verhouding. Zij was mijn medewerkster, mijn mede-laborant, en dat was meer wezenlijk dan de aantrekkingskracht, de kameraadschap en de gedeelde belangstelling, ja zelfs dan de opvoeding van de kinderen, terwijl dit alles er tegelijkertijd onlosmakelijk deel van uitmaakte.

(wordt vervolgd)

Geplaatst in Hans' weblog
2 reacties op “In het paradijs (11)
  1. Johanna van Fessem schreef:

    Wat mooi Hans. Dat is ongeveer zoals ik het altijd wilde, en dat is ook zoals ik het nooit heb kunnen doen. Ik volg het blog met spanning.

  2. Debbie schreef:

    Wat boeiend en meeslepend, ik en heel benieuwd naar het vervolg.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*