In het paradijs (14)

Het is nog vroeg. Ik ben net wakker. Hanneke ligt naast mij in het schemerdonker. Als je zo lang samen bent, weet je of de ander wakker is. Haar stem klinkt: ‘Waar zijn we?’ Ik zeg: ‘In Duitsland, in Jagdhaus.’ Ik weet: het helpt als ik nu opsta en de gordijnen open, want dan ziet ze waar we zijn, maar ik wil nog even blijven liggen. Ze vraagt: ‘Heb je een vriendinnetje?’ Dat is een onverwachte wending, er zijn ‘s ochtends een aantal terugkerende vragen, want dan worden de coördinaten uitgezet, maar deze is nieuw. ’s Ochtends bij het wakker worden is zij bijna geheel ondergedompeld in de nacht. Dat drukt zich uit in vragen als: Waar ben ik, hoe laat is het, wat voor dag is het, wie ben jij, die ander die daar naast mij in bed ligt. Als zij weet waar zij is, welke dag het is en wat voor iemand ik ben, vindt zij in de oneindige vergelijking met onbekenden in ieder geval voorlopig een plaats. Zij hult zich weer in een naam en een vorm. Ah, dan ben ik dus dit.
Ik ken dat zelf ook. Soms als ik wakker word, vooral als ik ‘s middags even slaap, weet ik niet meer wie ik ben en waar ik ben. Ik vind dat tegenwoordig wel prettig, die leegte zonder weerklank, het duurt ook niet lang. Het overkwam mij als kind ook weleens, wanneer ik middenin de nacht in het duister wakker werd, maar toen vond ik het minder prettig, toen wilde ik nog graag iemand worden. Ik had in het duister niets om mij aan te refereren, zeg ik nu. Toen was er alleen maar het donker en daarin het gloeiende punt van het prille bewustzijn dat naar woorden zocht en vreesde dat het, wanneer het de woorden niet vond, zou uitdoven in de nacht. Ik weet dus hoe eng het kan zijn wanneer je alle coördinaten kwijt bent. Als je zonder huid, zonder naam bent, wat ben je dan nog?
Ik zeg: ‘Ja, ik heb een vriendinnetje.’
‘Oh, dat heb ik dus niet gedroomd. Hoe heet ze?’
‘Hanneke.’ Ik vraag mij af of zij het oppikt, maar dat doet ze.
‘Haha, zo heet ik.’ Na even wachten: ‘We kennen elkaar van ergens anders hè? Beneden bij de winkels, bij die aardige man.’
Ik ken haar geschiedenis, alles wat ik met haar heb meegemaakt, wat zij mij heeft verteld, ik ben haar externe geheugen, en ik ken ook haar associatiesysteem. De tijd, onze geschiedenis, is voor haar als een waaier die wordt opengeklapt, alles één vouwwerk, alles dicht op elkaar. ‘Ach, je bedoelt Gerald Williams, Onder Lijn 3 in Amsterdam.’
‘Ja, die!’ Gerald Williams leidde een non-verbale groep in Amsterdam, Onder Lijn 3 heette de plek waar we samenkwamen. De naam Gerald Williams doet ons beiden glimlachen, wij houden nog steeds van die grote donkerbruine pokdalige man, want bij hem hebben we elkaar voor het eerst ontmoet nu bijna 50 jaar geleden ‘Daar stonden we,’ zegt zij, zij ziet het voor zich, die film, die flard van vroeger die ook nu is, ‘toen trokken we elkaar aan. Dat was het toch? Dat ging eigenlijk helemaal vanzelf, net alsof we elkaar al heel lang kenden.’ Ze wacht weer even en zegt dan voor zich uit: ‘We keken hetzelfde naar wat er gebeurde.’ Zo was het. Zo is het. We zien iets anders, want we zijn verschillend, maar we kijken hetzelfde.

Ons zicht. Dat was het begin van ons contact. De vonk.
Ik viel niet op haar, wat je vallen  noemt, en zij niet op mij. Seks was niet het beginpunt, smaak ook niet, gevoelsmatig klikte het niet direct, maar we waren verbonden in besef, besef van de grote oceaan en het kleine bootje, laat ik het zo maar noemen. Daarin vonden we elkaar en daarmee ook moesten we het om te beginnen doen, want verder hadden we niet zoveel gemeenschappelijk. Het kwam goed uit dat we elkaar ontmoetten in een non-verbale groep, want anders hadden we direct ruzie gekregen. We waren in veel opzichten zo verschillend en tegelijk ook zo uitgesproken, zeg maar gerust eigenwijs.

Vanuit ons gemeenschappelijke besef leerden we om elkaar als persoon lief te hebben, ons te verbinden in onze gevoelens, onze gedachtes op elkaar af te stemmen en ten slotte ook de liefde te bedrijven. Ja ten slotte, want seks kwam het laatst.
Ik wist bijna vanaf het begin dat ik met haar wilde zijn, maar ik was niet verliefd op haar. Zij ook niet op mij. Wij waren een paar apart, want meestal begint het toch omgekeerd, met de vonk van de hartstocht, de verliefdheid, het rode vuur. Bij ons was het een wit vuur, meer een ademtocht, een weten, dat we niet vast konden houden, maar dat ons wel vasthield. Dus toch, zei ik tegen haar, als ik weer eens was vergeten hoe bijzonder het was zoals we samen keken, hoe gewoon het ook was, terwijl ik het met geen ander zo kende. Dus toch.

Zo’n 15 jaar geleden deed Hanneke onderzoek voor een nieuw boek dat ze wilde schrijven. Ze reisde het hele land door en interviewde paren omdat zij wilde weten hoe ze bij elkaar waren gekomen en hoe het hun verder was vergaan. Wat was het beslissende moment geweest, het essentiële in de ander waardoor zij na het eerste contact de verhouding hadden voortgezet? Wat was de eerste vonk geweest? En wat was er vervolgens van die vonk geworden? Was die tot een vuur aangegroeid of was hij overgesprongen naar een ander gebied, dat daarna meer centraal kwam te staan? Of was de vonk gedoofd en was er niet iets anders voor teruggekomen, maar waren ze vanwege de routine of om andere redenen bij elkaar gebleven?
Dit alles en nog meer wilde Hanneke weten, waarbij zij ervan uitging dat de aanzet tot een relatie (de eerste vonk) plaatsvond op één van de vier grote menselijke gebieden: het fysiek seksuele, het emotioneel gevoelsmatige, het mentaal intellectuele of het geestelijk religieuze. Vervolgens vroeg zij zich af hoeveel brandstof deze verschillende gebieden leverden voor de vonk, hoe duurzaam was een relatie die voornamelijk in één van deze gebieden wortelde? Wat waren de specifieke problemen en welke obstakels moesten worden overwonnen om tot een meer volledig samenzijn te kunnen komen?

Heel interessant. Helaas heeft dit onderzoek nooit geresulteerd in een samenvattend boek (het vervolg op Geest en drift en Een vrouwelijke weg van vervulling, zoals het haar bedoeling was, de voltooiing van de trilogie), omdat toen de alzheimer toesloeg en de schriftelijke verwerking onmogelijk maakte. De concrete verwerking echter gaat door tot op de dag van vandaag.
‘Heb je een vriendinnetje?’
‘Ja, ik heb een vriendinnetje.’

(wordt vervolgd)

Geplaatst in Hans' weblog
4 reacties op “In het paradijs (14)
  1. Tine Hoitsma schreef:

    Zo samen, zo lief!

  2. Nel schreef:

    Wat mooi….Dank je!

  3. Tjeerd schreef:

    Heel benieuwd naar het vervolg. Ik hang aan je lippen.
    En ontroerd, door jou en Hanneke

  4. Martha schreef:

    Mmm, zo fijnzinnig, zo humorvol.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*