Coronalezing 9 – Pasen

Ik weet niet wat mij overkomt. De productie is groot. Ik heb de afgelopen weken twee tot drie keer per week een lezing gegeven. Dat is heel veel, maar het gaat vanzelf. En ik merk ook dat hetgeen ik te zeggen heb aansluit bij mijn gehoor. Ik spreek duidelijk niet voor dovemansoren.
Een lezing is een gebeurtenis, die plaatsvindt op het moment zelf, in wisselwerking – ik zie de mensen, zij zien mij. Een schriftelijke weergave van een lezing is toch iets anders, hoe nauwgezet ook weergegeven, hoe goed ook geredigeerd. Een schriftelijke weergave mist het moment NU en heeft daardoor iets van mosterd na de maaltijd. Daarbij blijft het spreektaal, terwijl het zich aandient als schrijftaal – ik zet mij er overheen, maar het gaat tegen mijn schrijvershart in. Ik vind het ook te grote lappen tekst voor een blog. Dat kan wel even, maar het moet geen gewoonte worden.
Daarom ga ik binnenkort stoppen met het op deze wijze publiceren van de videolezingen. Ik rond de paaslezingen nog af (die vormen een geheel) en publiceer dan ook nog de twee tussenliggende lezingen. Daarna ga ik weer speciaal schrijven voor mijn blog, misschien aan de hand van de lezingen, misschien ontvouwt zich een ander thema. Ik wil in ieder geval weer werk gaan maken van het ‘langzame woord’.

De lezingen, ook de toekomstige, zullen als podcast te beluisteren zijn. Ook onderstaande lezing is, weer dankzij de goede zorgen van Arthur Kleintjens en Anna Myrte Korteweg, hier als podcast beschikbaar.

*

De vorige keer zei ik tegen een luisteraar dat de kans dat hij deze zomer zijn verjaardag zou vieren met zijn kinderen en kleinkinderen heel klein was. Ik ben niet helderziend, maar heb er wel een kijk op waar deze intelligente lockdown toe leidt. Ik ben bezig om de mensen om me heen en ook jullie duidelijk te maken dat wat we nu doormaken niet iets is van een week of een paar weken. We zijn bezig om de curve af te toppen. Maar naarmate je de curve aftopt, duurt de situatie langer. Als je niets zou doen en iedereen die je tegenkomt op straat zou zoenen, dan zou deze epidemie snel voorbij zijn, er zouden heel veel mensen doodgaan, ernstig ziek worden en gehandicapt raken. Wat wij doen onder leiding van onze minister-president, is een intelligente lockdown. Een voortreffelijke PR term de ‘intelligente lockdown’. Want wie wil er nou niet intelligent zijn. Maar het gevolg is dat het veel langer duurt en we langer afstand moeten houden. Daarom lijkt het me onwaarschijnlijk dat we in juli wel opeens de armen om elkaar kunnen slaan. Tenzij er een wondergeneesmiddel komt, maar het lijkt er niet op dat dat er binnen 9 maanden is.

Er bereiken me ook berichten van mensen die aangestoken zijn door het virus. Ik wil uit een van die brieven een stukje voorlezen, omdat het aansluit bij de toon van deze bijeenkomsten en bij wat ik straks wil gaan vertellen. Een vrouw, een voormalig verpleegkundige, schrijft het volgende:

Nu ik Coronaverschijnselen heb, vind ik dat ik duidelijk tegen mijn man moet zeggen wat ik wil. Want je kan in een paar uur heel ziek zijn. Ik vertrouw erop, als dat aan de orde is, dat ik in het moment weet wat ik moet beslissen. Maar ik heb vaak gezien hoe mensen door hun ziekte worden ingehaald. Wij leren de schuld van het voelen van de pijn niet bij de ander te leggen maar er zelf aan te werken of te verdragen. In deze dagen ondanks regelmatig schurend ongemak, beseffen we eens te meer hoe we zielenmaten zijn. Wat een rijkdom het is om elkaar spiritueel te verstaan en te steunen. Van het een komt het ander en zo komt het dat we helder formulerend afscheid van elkaar nemen. Ik vind dat belangrijk want als je vanwege Corona opgenomen wordt, weet je niet of je elkaar nog levend zult zien. In zo’n stressmoment is er weinig adem en tijd om belangrijke dingen te zeggen.
Tegelijk voelt het ook nu als een nieuw begin in een tijd waarin alles anders gaat. Net als toen ik zwanger was, pak ik een koffertje in voor het geval dat. Ik ben nu rustig. Ik ben wel gevoelig voor al het verdriet en de onmacht die er is. Dat is niet nieuw maar nu is het veel. Ik ben verdrietig, mediteren, opdragen, loslaten en steeds beslissen blijmoedig te zijn.

Het is een selectie uit de brief. Ook in andere brieven die ik ontvang komt steeds terug dat het een beproeving is, een plaag, deze ziekte. Maar het is ook een uitdaging, een kans.
Het betekent dat je beseft dat de dood niet een fictie is. Dat je beseft dat die laatste deur niet alleen een zwart gat is, maar jou confronteert met alles wat je kunt geven en mogelijkerwijs nog niet hebt gegeven. Met alles wat je kunt inzetten en mogelijkerwijs nog niet hebt ingezet en dat daarin de dood niet alleen een zwart kruis is maar ook een boodschap van liefde. Een wekking van liefde.
Wat er nu gebeurt brengt geen depressie maar het is ‘je koffertje pakken’ zoals je dat ook doet voor een geboorte. Dit is onze gegevenheid en die confronteert ons met het diepste wat we kunnen bieden.

Gisteren las ik Rumi. Hij is een Soefi dichter, leraar, wijze, die in de dertiende eeuw geboren is in Afghanistan, het toenmalige Perzische rijk.
Hij heeft het over dronkenschap wat je in de Bijbel leest als de slaap. In het paasverhaal waar Jezus in Gethsemane is vallen de discipelen in slaap. Die slaap is symbool van afwezigheid daar waar je aanwezig kunt zijn. En als je aanwezig bent beleef je het volle leven, zoals ik net vertelde van de briefschrijver. Dat is iemand die niet dronken of in slaap is, maar wakend. Rumi zegt:

Deze dronkenschap begon in een andere herberg,
wanneer ik terugkeer naar die plaats
zal ik volkomen nuchter zijn. In de tussentijd
ben ik als een vogel uit een ander werelddeel
en zit ik in deze volière.
De dag zal komen dat ik wegvlieg,
maar wie is dat nu in mijn oor die mijn stem hoort?
Wie zegt er woorden met mijn mond?

Dit is zo goed, ik denk dat je het kent dat je hier van de wereld bent en niet van de wereld bent. Dat je vreemd bent en tegelijkertijd er helemaal bij hoort. Dat alle twee waar is. En ik denk dat je het kent dat je lichaam beweegt zonder dat je het in beweging hebt gezet, maar dat het een beweging door je lichaam is. Ik noem dat de liefdesbeweging. Dat je woorden spreekt voordat je ze bedacht hebt. Dat je een daad verricht voordat je hem hebt uitgedokterd. Dat heet spontaniteit.
Rumi heeft dezelfde verbazing die ik ook heb: wie is dat in mijn oor die mijn stem hoort, wie zegt de woorden met mijn mond? Ik zeg wel dat ik de eigenaar ben van die woorden maar er komt steeds iets door mijn woorden heen dat heel anders dan ik mezelf ken. Dat manifesteert zich door mij heen. Wie zegt er woorden met mijn mond? Het is de woordenspreker door mijn mond, die mij helpt om nuchter terug te keren. Gezuiverd te worden in mijn bestaan en terug te keren naar de kroeg waar ik dronken ben geworden indertijd, en nu niet meer dronken te zijn, maar aanwezig en wakker.

Wie kijkt naar buiten met mijn ogen? Wat is de ziel?
Ik kan niet ophouden met vragen.
Als ik maar één tipje van een antwoord kreeg,
zou ik kunnen uitbreken uit deze gevangenis voor dronkaards.
Ik ben hier niet uit eigen beweging gekomen
en ik kan zo ook niet wegkomen.
Degene die mij hier bracht, wie het ook is,
zal mij naar huis moeten brengen.

Deze poëzie. Ik weet nooit wat ik ga zeggen.
Ik maak geen plannen.
Wanneer ik het niet aan het zeggen ben
word ik heel rustig en zeg ik zelden iets.

Deze poëzie. Ik weet nooit wat ik ga zeggen.
Er is altijd een spontaniteit die ons doordringt. Ik weet nooit wat ik ga zeggen, ik heb wel allerlei plannen, maar dit moment is een nieuw moment van ontvouwing, creativiteit. Natuurlijk maak ik plannen maar ik maak ze niet definitief, ik spreek af dat ik om 11.00 uur hier zit. Dat is ook een plan, maar daarbinnen is iets anders wat planloos is. Wanneer ik het niet aan het zeggen ben en die stem door me heen klinkt, dan word ik heel rustig, ik ga me geen zorgen maken. Ik ga niet een heleboel gist in mijn brood gieten. Gewoon het is zo klein als het is, het is zoals het is.

Van Rumi, 1207-1273, zeggen sommigen dat het een echte Pers is, anderen dat hij echt Afghaan is of een Turk. Ze zeggen in ieder geval dat hij moslim is, en hij wordt door alle generaties na hem ingelijfd en wordt tegen hem gezegd ‘je bent van ons’. Terwijl Rumi volledig de weg volgde en helemaal niet van iemand was.
Dat zie je vaker gebeuren zowel met de grote wijzen als de kleinere. Met de grote bedoel ik dan iemand als Boeddha, een hele grote. Maar Boeddha was geen boeddhist. Het boeddhisme kwam daarna en annexeerde Boeddha. Maar Boeddha zelf was wat hij was. Er was geen voorschrift. Hij ontdekte het, hij was het. En daarna kwamen de boeddhisten en die zeiden zoals Boeddha het heeft gedaan, zo moet je het doen. Terwijl een van de essenties van Boeddha is, dat hij totaal niet van buitenaf te beschrijven is. Daar waar Boeddha nog steeds essentie is, gaat hij. Het is het principe dat gaat en zich niet laat bepalen door hoop en vrees, door begeerte en angst. Dat kan je niet nadoen.

En toch is er een grote behoefte bij ons om iemand die een uniek bestaan heeft geleefd, om dat te kwantificeren en om te zetten in methode. En om die methode vervolgens te gaan toepassen op andere mensen die bij je horen en dan te zeggen: ‘Zo gaan wij het voortaan doen, volgens die methode’. Het is ook de ziekte van het christendom en van het communisme, noem elk isme maar. De ziekte is dat het unieke wat Jezus van Nazareth deed en wat is beschreven in de evangeliën, dat dat is omgezet in richtlijnen en methodes. In hoe je moet zijn wanneer je een goed mens bent – dan ben je als Jezus. Maar niemand kan als Jezus zijn. Wat wel kan is dat je leest over hem en dat je tot je laat doordringen de weg die hij ging en hoe hij dat deed. Maar je kunt nooit als Jezus zijn. Je hebt het al moeilijk genoeg om jezelf te zijn, om dan ook nog Jezus te moeten zijn, dan word je crazy. Het gebeurt ook inderdaad met veel christenen dat ze crazy worden omdat ze ook nog eens als Jezus willen zijn. Terwijl ze al zoveel sores hebben in hun eigen persoonlijkheid, die vragen om oplossing en bloeiwijze.

Jezus is wel een van de groten, een van de heel grote leraren in mijn bestaan. Het is een leraar die je kunt horen, die je kunt kennen en die je hart kan raken en die in het raken van je hart iets teweeg kan brengen. Maar je kan hem niet nadoen.
Jezus leefde in een heel andere omgeving, hij sprak Aramees en liep waarschijnlijk op sandalen, en er vond in die tijd door de geestelijke en wereldlijke machthebbers een insnoering plaats, doordat Jezus zich op geen enkele manier liet bepalen door wat hem tegemoetkwam en hij voortdurend bleef responderen op datgene dat hem tegemoetkwam. Zowel op de vragen van de machthebbers, de beschuldigingen, bleef hij niet kiezen voor zijn hachje, voor ‘ik wil blijven zoals ik ben’, maar hij bleef kiezen voor de weg, de waarheid en het leven. Hij bleef een antwoord van waarheid geven en daarop kwam steeds weer een reactie van de geestelijke en wereldlijke machthebbers en werd hij gaandeweg naar de dood toe geleid, vernederd en gemarteld. En gebeurde dat waar hij heel erg bang voor was.
De grootsheid van Jezus vind ik onder andere dat hij zich niet liet bepalen door hoe hij zelf het liefst wilde leven, maar zich liet bepalen door de stem die door hem heen kwam. Door de beweging die in hem was, dat leven, die weg, die waarheid, dat hij dat belangrijker vond dan erbij te horen en carrière te kunnen maken als iemand met veel inzichten. Dat hij het waagde om zo radicaal te zijn, ook al leidde dat tot lijden en de dood.

Ik schreef gisteren:
Steeds weer vindt in tijd en cultuur bevrijding plaats in de vorm van die tijd en cultuur. In de taal die daar en dan wordt gesproken. Binnen de gewoonten en rituelen van de cultuur. Steeds weer zijn er bevrijders die ‘hun volk’ naar verlossing leiden met woorden en onderricht. Door helend zich te bemoeien met het bestaan van anderen. Door weldadig invloedrijk te zijn. Sprekend in gelijkenissen en met de nabijen van hart tot hart. Maar vooral zijn het bevrijders doordat ze zelf gaan zoals ze zeggen. Dat ze zijn zoals ze denken, dat ze zijn zoals ze zeggen en dat daar eenheid is.  

Wat je ziet is dat, terwijl het unieke plaatsvindt, er van buitenaf gekeken wordt naar de vorm. Dat sandalen belangrijker worden dan de beweging. En dat je zelfs een cultus kunt krijgen waarbij mensen zeggen: ‘We gaan allemaal sandalen dragen, want we zijn christenen’. Het is dat waarvan je je los moet maken als je wilt ervaren dat Pasen een diep innerlijk gebeuren is dat door geen godsdienst geannexeerd kan worden. Wanneer je wilt beseffen dat Jezus Christus geen christen was.

Die diepe innerlijke gebeurtenis waarbij je op het kruispunt van je bestaan komt te staan en waarin je merkt en ervaart dat je misschien iedereen kunt vertrouwen, maar dat niemand jouw koers weet. Niemand gaat zoals jij gaat. Daarin is een sprankelende uniciteit en tegelijkertijd is daar een existentiële eenzaamheid en alleen zijn. En op dat kruispunt, waar je je werkelijk aan niets en niemand kan refereren, gebeurt het wonder, dat daar de immense levenskracht, het zijn dat we met zijn allen delen, juist op dat punt doorbreekt.
Wanneer je daarin doodloopt, waar Jezus sterft, vindt er een verbinding plaats die je opstanding uit de dood kunt noemen.
Een onbegrijpelijk iets: waar je de uiterste consequentie ingaat, word je tegelijkertijd volledig vervuld van dat wat je niet bent, maar bij de gratie waarvan je bestaat. Dat is naar mijn besef het christelijke niet-christelijke Pasen. En ik ben dit steeds meer gaan beleven in de lenteperiode.
Deze beleving, het is nu voorbij, ik kan niet voorbij dit kijken, kan betekenen dat ik of ten diepste depressief word, of dat ik het levende water door me heen laat stromen. Dat ik ben met jou, met de dingen, de dieren en planten, dat ik gevend ben, alle dagen nieuw. Ik ervaar dit in deze tijd heel sterk.

Maar ik wil het niet te mooi maken. Ik vind het in alle gruwelijkheid, als je leest hoeveel mensen ten onder gaan, nu in Amerika en hoeveel zwarte mensen daar en arme mensen in de knel komen, dat daar waar we aan dat lijden hulp kunnen bieden, op welke manier dan ook, dat we dat conform onze talenten moeten bieden. En dat we er niet een hoog mooi plaatje omheen en erachter zetten.
Het is een ervaringsfeit van mij dat deze tijd van crisis ons verbindt en ons diepere woorden laat spreken dan we daarvoor konden spreken. Daarin wordt door de kruiswerking heen een bloeiwijze ervaarbaar, de roos in het hart van het kruis.

Daar wil ik graag maandag, tweede Paasdag, verder op doorgaan. Daarmee sluit ik dan deze trits paaslezingen af.

 

Deze lezing is uitgeschreven en geredigeerd door Liny Bosland en Joan Galama.

Geplaatst in Hans' weblog

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*