In mijn blog van 27 juni, Beleeftijd heette het, schreef ik over mijn kleinzoon Lotus die zijn vader drie jaar geleden heeft verloren. Hij vroeg mij om een inleiding te schrijven voor zijn werkstuk voor school over rouw en ik heb dat gedaan in briefvorm.
Zo begon ik mijn voorwoord:
‘Beste Lotus, jonge vriend,
Dank je wel voor je werkstuk, dat ik met aandacht heb gelezen. Ik ben geroerd door de oprechtheid waarmee je zoekt en tracht te verwoorden wat je beweegt. Het is een zoektocht die volgens mij alleen maar tot iets goeds kan leiden. En ik ga daarom ook graag in op je verzoek om een voorwoord te schrijven. Ik doe dat in briefvorm. Hier komt het:
Het leven wordt wel een ongeneeslijke ziekte genoemd. Dat is niet zo vreemd, we gaan er immers allemaal aan dood. We weten dat ieder moment ons laatste moment kan zijn. De dood is ingebouwd in het leven en het echt vreemde is dat wij dit weten en niet weten.
Als we geconfronteerd worden met de dood van iemand die we liefhebben, onthult zich plotseling dit weten dat er altijd al was. Het besef van eindigheid, dat we als een half geheim in ons hebben meegedragen, doorsnijdt de routine van het dagelijkse gebeuren. Dit is het. Niet ergens in de toekomst, niet straks, nu! Niet meer een gedachte maar werkelijkheid.
Wat er dan gebeurt, hoe we zijn als we iemand waarvan we heel veel houden verliezen, we weten het niet van tevoren. Wij mensen kunnen in het gezicht van de dood zowel het diepste duister als het meest heldere licht beleven. Het is mogelijk dat we dof worden en ons in onszelf opsluiten. Maar het is evengoed mogelijk dat iets totaal anders gebeurt en een lichtende helderheid ons blijkt te doorstralen.
Jij, Lotus, mijn kleinzoon, en ik, wij beleven dit nu. Jij bent 17, ik ben 83, maar in dit opzicht zijn we even oud. Rouwend zijn wij twee mensen die elkaar kunnen aankijken en in elkaar de liefde en het verlies herkennen – de zachtheid van de liefde en de rauwheid van het verlies, het onbegrijpelijke.’
Een stuk verder schrijf ik:
‘Er is nog een overeenkomst tussen ons. We zijn beiden creatieve mensen en we verwerken beiden het verlies door de stroom van de creativiteit te blijven volgen. Jij maakt muziek, je schrijft gedichten en je krijgt ook contact met je vader door de gedichten die hij heeft geschreven. Ik schrijf al sinds ik ongeveer jouw leeftijd had verhalen en gedichten en teksten. Het schrijven heeft mij geholpen bij het verlies van veel mensen die ik verloren heb. Ik heb een boek geschreven helemaal rond de dood van mijn vader en mijn broer. En ik ben nu een boek aan het schrijven over afscheid, verlies en schoonheid.
Het is een zegen dat we dit kunnen, want de creatieve stroom volgend blijkt het pijnlijke gemis (ik noem het: die door niets te vullen holte bij het hart) toch tot iets nieuws te leiden, tot een nieuw besef wie je eigenlijk bent en wat je te doen staat in het leven. Dat helpt ons om niet in de verstarring en de afwending te blijven steken. En vooral helpt het ons om te blijven zien dat rouwen een wijze van liefhebben is.’
En ik eindig:
‘Dank je wel, kleinzoon, jonge vriend, voor je oprechte zoeken en het contact hierover.’
We wisselden vervolgens in de weken daarna uit over zijn werkstuk, we spraken over het rouwen, hoe het deel van je wordt – niet meer een grauwe kracht van buiten, maar als het ware opgenomen in het bloed, hoe je ademt en bent.
Hij vertelde mij dat hij de gedichten die zijn vader had geschreven nu echt aan het lezen was en dat hij ze wilde bundelen. De bundeling zou de hoofdmoot zijn van zijn werkstuk. Toen schreef hij mij een brief terug, waarin hij vertelde hoe hij terugdacht aan zijn vader René en hoe hij nu in de rouw was. Zijn brief, die het nawoord is geworden van zijn werkstuk, geef ik hier in z’n geheel weer. Ik doe dat niet als een trotse grootvader, maar omdat ik hem zo mooi en wijs vind – de moeite waard om te lezen.
‘Geliefde, oude vriend, opa, Hans Korteweg,
In een geleidelijkheid volg ik de gevoelens die jij in woorden aan mij overbracht. Ik dook diep in mijn gevoel en gedachtes om de beelden te volgen die jij opwekte.
Door in een staat van rouw te verkeren ontdek ik plekken in mijzelf waar ik eerder nog nooit geweest ben. Alsof ik vaar over een rivier die zich splijt in de eenzaamheid van een enkele stroom. Hierover vaart elk mens die zichzelf open stelt voor het verwerken en erkennen van een verlies.
In dit geval spreek ik over het verlies van mijn vader. René verloor zijn leven aan een ongeneeslijk lijden. Hij was sterk op het laatste moment en gaf alles wat hij nog bezat (hij bezat vrij weinig) mee aan de mensen van wie hij hield. Hij deelde zijn laatste momenten met mooie mensen en werd vreugdig van het plezier dat er plaats vond. De verhalen die hij zijn kinderen vertelden, de wandelingen die hij met [zijn vrouw] Ingrid maakten, de potjes poolen met zijn zonen en het klaarmaken van met liefde bereide gerechten.
Opa, eindelijk is er voor mij weer een nieuw begin in zicht waarin ik verder kan groeien en kan leren over het leven. Een lange tijd zat ik vast in de rouw en afgelopen jaar heb ik mijn eigen weg erdoorheen gecreëerd. Ik ben veel tegengekomen in deze tijd; de verwerking van het verlies ging gepaard met verdriet, schaamte en veel nieuwe ontdekkingen over wie ik ben en zal worden.
Het moment waarop de dood van iemand die je lief hebt werkelijkheid is geworden leer je de dood kennen en kom je er weer achter dat de eindigheid van het leven zich in de dood verschuilt. De herinneringen die ik heb met mijn vader zal ik voor altijd bij me dragen en ergens voelt het door de niet vergeten herinneringen dat hij soms nog steeds met mij leeft. Dan sluit ik mijn ogen en sluit er een licht zich zachtjes aan in mijn innerlijk landschap. Het licht draagt iets warms bij zich en iets wat troost, iets wat zijn tijd neemt om zich in mij te ontvouwen. Alsof het cherubijntje dat mij mijn naam gegeven heeft via René, zich nu met mij verbindt om contact te leggen en dat het cherubijntje ooit zal zeggen: ‘Het komt allemaal wel goed, adem in en uit.’
Gedichten van René Brons om nooit meer te vergeten. Een man die zich had aangesloten bij het lief hebben. En nu is hij ondergedompeld in de vijver van de liefde.
Wij houden van je.
Dankjewel Opa, een vriend met een leeftijdsverschil van zesenzestig jaar, voor het begeleiden, begrijpen en het mee varen over de wilde stromen van de rouw.
Lotus Brons’
Nu waren we eergisteren op zijn school bij de presentatie van zijn werkstuk. Hij haalde nog een goede streek uit, want hij riep mij naar voren en vroeg mij mijn brief aan hem voor te lezen. Ik vond het eerst wat ongemakkelijk, en toen toch heel leuk, zoals we daar samen stonden en ik bijdroeg aan zijn presentatie. Wat een geschenk, dat ik zo diep verbonden mag zijn, en dat ook nog kan! En het was natuurlijk ook heel slim van hem, dat hij mij een deel van zijn spreektijd liet invullen.
Ik voelde mij heel teer, en hij was dat ook, zag ik toen ik weer zat. Ik ken hem als een vrije spreker, maar ik zag nu hoe breekbaar hij was. We kunnen veel begrijpen en daar ook goed over uitwisselen, en dat helpt soms ook om te verwerken wat we te doorleven hebben, maar we staan als bomen in de wind en als het herfst is vallen de bladeren. Dat zag ik nu bij hem, niet de woorden stonden voorop, maar het doortrild zijn. En ik besefte weer eens dat ik, hoe vaardig ik ook ben met woorden, niets ben wanneer ik mij niet laat doortrillen door die kracht die alles geeft en neemt. Die kracht waaraan ik dienstbaar ben.
En het was daarin, denk ik nu, dat ik hem het diepst ontmoette. En hem niet alleen.

Hans en Lotus,
Zo verbonden, puur, mooi, zacht, kwetsbaar en samen sterk.
Het dendert in mij.
Geraakt.
Prachtig om te lezen en het geeft woorden aan iets wat ik nog niet onder woorden kon brnegen
Wat een rijkdom, hè, als je verbonden bent met je (klein-) kinderen en ze zich zo kunnen verwoorden.
Zo zo zo mooi en doorleefd, dank je wél
Pure schoonheid
Lieve pure , waarachtige, kwetsbare, wijze, zuivere, doortrilde Hans en Lotus,
Opnieuw stromen tranen over mijn wangen geraakt door een diepe, universele taal die raakt tot op het bot!
Dank voor het delen,
Hartelijke groet,
Wat een prachtig samen zijn….
Lieve Hans, dank je wel voor deze prachtige teksten van jou en van je kleinzoon. Ze komen voor mij op een juist moment, want ook in mijn leven dienen vergankelijkheid en rouw, die ik zo graag vergeet, zich onontkoombaar aan. Twee van mijn broers zijn overleden, mijn derde broer is nu heel ernstig ziek. Vol eerbied ben ik bij wijze van spreken in een onbekend land, waarin ik vaak niet goed weet wat ik kan zeggen of doen. De woorden van Longchenpa, die via jou naar me toegekomen zijn, helpen: ‘Mededogen dat vanzelf oprijst en niet tot stand gebracht hoeft te worden’. Alle goeds, Manjudhi
Wat een wijsheid in zo’n jong iemand en wat heerlijk voor hem dat te kunnen delen met zijn grootvader en als grootvader met hem.
Dankbaar voor deze levenskracht, voor deze doortrilling.
lieve hans,
Wat mooi. Wat een wederzijds gebeuren. Gift.
En wat een prachtige en ware slotzinnen.
Dank je wel. En ook dank aan je kleinzoon.
marian
Wonderschoon. Hij schrijft als een dichter, en poëet, jouw kleinzoon. En met al zoveel wijsheid. Prachtig.
…Alsof ik vaar over een rivier die zich splijt in de eenzaamheid van een enkele stroom…
…sluit er een licht zich zachtjes aan in mijn innerlijk landschap. Het licht draagt iets warms bij zich en iets wat troost, iets wat zijn tijd neemt om zich in mij te ontvouwen…
En daarin heeft hij al een werking die ‘doortrilt’. Net als zijn opa.
Dank.
Wat een liefdevol verbond.
Prachtig
Wat prachtig dat je dit hebt mogen doen, Hans, en wat een mooie geschreven tekst. Waar. Vol liefde.