Geloven in vier à vijf delen

Ik beëindigde mijn vorige aflevering met de aankondiging slot volgt. Dat geloofde ik inderdaad toen ik het neerschreef. Ik geloofde zelfs dat ik al wist wat ik zou gaan schrijven. Maar, zoals zo vaak bij iets wat je gelooft, wees nader onderzoek uit dat dit een onjuiste veronderstelling was. Wat ik wilde schrijven sloot wel aan bij de drie stukken die ik al had geschreven, maar niet bij datgene wat het geschrevene in mij had losgemaakt.
Haha, ik dacht dat de taart gebakken was, maar ik had buiten de waard gerekend. Of beter gezegd: buiten de bakker van wie ik het knechtje ben.

Terwijl ik aan het schrijven ben over geloven, toets ik hetgeen ik schrijf voortdurend aan mijzelf. Hoe is het bij mij gesteld met geloven? Ken ik zelf dat diepe besef dat, hoewel onbewijsbaar, toch richtinggevend is in het bestaan? Of is mijn geloven meer een hypothetisch denken, een  spelen met veronderstellingen, waarvan ik vervolgens onderzoek in hoeverre deze kloppend zijn? En ook niet onbelangrijk: is hetgeen ik geloof in woorden uit te drukken of is het zo anders, zo voorbij de woorden en de concepten, dat iedere verwoording er onrecht aan doet?

Het zijn interessante vragen, waarop ik niet meteen een antwoord heb. Ik loop ermee rond terwijl ik lange wandelingen maak en ik speel ermee tijdens die momenten voor het slapengaan en gedurende het ontwaken waarin mijn gedachten loskomen uit de gevormde patronen en meer gaan lijken op diepzeewezens dan op goed gemetselde bouwwerken.

En dan schiet mij opeens een droom te binnen die ik had vlak voordat ik aan deze serie over geloof begon. Ik had de droom opgeschreven, maar ik had er daarna, hoewel het een krachtige droom was, niet meer over nagedacht omdat ik ogenschijnlijk met iets anders bezig was. Ik weet dat een vergeten droom die weer opduikt vaak een handreiking is van ‘de jongens in de kelder’ die mij daarboven horen scharrelen en vinden dat er nu wel genoeg geijsbeerd is door dat denkende wezen. Dus haalde ik de droom weer tevoorschijn. En nu zag ik dat hij direct aansloot bij mijn overwegingen over de verschillende wijzen van geloven.

Dit was de droom: Ik zit in de spreekkamer van een arts, die mij op een foto laat zien dat ik een ernstige vorm van kanker heb. Hij wijst mij op een donkere vlek en verklaart dat het een ongeneeslijke tumor is. Er kan niets meer voor mij worden gedaan. Dan buigt hij zich naar mij toe en zegt op zachte toon dat ik er goed aan doe voor euthanasie te kiezen. Hij schildert de verschrikkingen die mij te wachten staan en verzekert mij vervolgens dat hij mij, als ik dat wens, meteen uit mijn lijden kan verlossen. Ik hoef dan al die procedures niet te doorgaan. Het is heel verleidelijk, ook omdat hij zo’n deskundige en vriendelijke man is, die echt met mij is begaan. Ik kan geen argument bedenken om het niet te doen en ik verlang er erg naar deze wereld van pijn met het vooruitzicht van nog meer pijn achter mij te laten. Oh, de rust en de stilte, wat verlang ik daarnaar! Maar ik zeg: ‘Nee, dat doe ik niet. Ik wil leven, wat het leven ook brengt.’ De woorden rijzen van diep in mij omhoog en ik weet: dit is het enige juiste. Het enige ook wat mij blij maakt.

Het was een realistische droom, niet zo’n vage droom-droom, maar net zo werkelijk als mijn waakbestaan. Ik stond voor een keuze, een existentiële keuze, en het volgende moment was het geen keuze meer, omdat hetgeen ik zei de enige mogelijkheid was. Toen ik de droom opschreef, begreep ik al door de dramatische klemtoon in het verhaal dat hij niet in de eerste plaats een waarschuwing was voor een ernstige ziekte. Ik was er blij mee, een beetje trots ook, maar ik dacht er niet verder over na. Ik vroeg mij niet af waarom iets anders voor mij niet mogelijk was.

Dat vroeg ik mij nu wel af, nu ik de droom weer las. Waar baseerde ik mijn ‘keuzeloze keuze’ op? Dat was niet vanuit een morele overtuiging of een geloofszekerheid, want ik heb geen algemene mening over euthanasie. Het was een onmiddellijk weten. Heel het tussengebied van geloofsovertuigingen en morele opvattingen werd niet aangeraakt. Ik kon lange tijd van alles bedenken over wat ik in bepaalde situaties vanuit mijn opvattingen zou moeten doen, maar die laag van morele overtuigingen en hoe-hoort-het-eigenlijk pasklare oplossingen is geleidelijk aan steeds minder bepalend geworden. Ik weet het niet meer van tevoren. Het blijkt op het moment, in het gesprek, responderend op de situatie.
Zo was het ook in de droom. Het antwoord op de arts kwam van dieper in mij, was veel meer onbestemd en tegelijkertijd veel krachtiger, veel meer ik in mijn eentje, dan een morele overtuiging (waarbij je altijd de zekerheid hebt van medestanders en tegenstanders). Het was essentie die sprak, door mij heen, en ik beaamde het en gaf het woorden. Mijn geloof van voor de woorden, mijn levensvertrouwen.

Mijn geloof in de diepte is, zoals ik het nu zie, dus niet dat ik iets bepaalds geloof, maar dat ik het iets, deze wereld van ruimte en tijd, vanuit essentie vervul. In die vervulling wordt mijn geloof concreet, terwijl ik het van tevoren, wanneer het daar nog in de diepte rust, niet kan onderscheiden als een afgebakend concept, als aparte geboden en verboden. Het beweegt mij en wordt in mij, de Hans in dit bestaan, tot voeten die in een bepaalde richting gaan, tot handen die bepaalde daden verrichten, tot een stem die bepaalde woorden spreekt.

Om te beginnen echter is dit wat ik geloof noem niets anders dan wat ik ben in Eenheid, hoe ik ben binnen Eenheid. En vervolgens geloof ik, dit rationele wezen, deze persoon Hans Korteweg, dat het het beste is, voor mij en voor mijn wereld, dat ik gehoor geef aan wat opwelt uit de Eenheid en dat ik het omzet in woord en daad.

Dat zijn twee wijzen van geloven.
Het ene geloof is rustend in verbondenheid, in Gods Hand, een kring in het water die overgaat in de oneindige oceaan.
Het andere geloof is geboren uit worstelen en zoeken, uit vallen en opstaan en ten slotte tot besef komen, dat alles wat ik hier doe in mijn bestaan zinloos is wanneer het niet is afgestemd op de Bron daar in de diepte, die mij het leven en daarbij het bewustzijn geeft.

(slot volgt, ja heus, tenzij…)

Geplaatst in Hans' weblog
5 reacties op “Geloven in vier à vijf delen
  1. pieter loef schreef:

    helder schitterend als een waterdruppel in de zon

  2. Anita schreef:

    Dankje wel lieve Hans …..dank voor de prachtige tekening ….zo fijn dat je dit schrijft …meer heb ik niet te zeggen dan alleen herlezen herlezen herlezen….dankjewel …liefs Anita …

  3. Astrid W schreef:

    Heel erg mooi vind ik dit, en de tekening van Hanneke ook buitengewoon mooi. Dank aan jullie allebei!

  4. Thea Wienese schreef:

    Dit ontroert mij zo…. Ik ben niet zo genoemd ‘gelovig’, ik weet het allemaal ook niet zo goed. Maar wat ik wel ‘weet’ , geen idee waar het vandaan komt, dat het leven geleefd moet worden tot het einde toe… Fijn om te horen dat ik niet de enige ben die ‘gelooft’ dat ook die laatste stappen gezet moeten worden. Tegelijkertijd maakt het mij eigenlijk niet zoveel uit wat anderen daarvan vinden; ik vind het, voor mijzelf….

  5. Jozien schreef:

    Ha Hans,
    Dit sluit helemaal aan bij Longchenpa en de tekst waar wij nu mee bezig zijn. Leven vanuit Essentie, in openheid, zonder vastgrijpen of streven, maar responderend op wat zich voordoet, spontaan en niet gepolijst en van daaruit handelen, antwoord geven vanuit de diepte en het besef van de grote verbondenheid en het vertrouwen dat dit precies passend is! Dat gaat voorbij aan geloven, maar vraagt een groot vertrouwen.
    Dank je wel en heb het goed daar samen met Hanneke!
    Liefs
    Jozien

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*