Het kwaad en onwetendheid

EERST NOG OVER HET KWAAD

Als ik het in telegramstijl samenvat, zeg ik dat het kwaad een illusie is die wij pas als een illusie kunnen herkennen wanneer we het erkennen als behorend tot onze werkelijkheid en het waarnemen en beantwoorden zonder ons er op enige wijze aan te hechten. Dit is het telegram, nu volgt de brief.

In een boeddhistische tekst wordt gezegd dat onwetendheid geen begin heeft maar wel een einde, namelijk wanneer verlichting intreedt, en dat de staat van verlichting geen begin en geen einde heeft, want die is er namelijk altijd.[1] Wie geen besef heeft van eenheid en zich uitsluitend identificeert met zijn tweeslachtige gevoelens, gedachten en lichamelijke behoeften, is als een blinde die bij een lamp zit. Op boeddhistische afbeeldingen wordt zo – als een blinde vrouw die bij een lamp zit – avidya, onwetendheid, het begin van alle lijden, weergegeven.

Het is niet te begrijpen, het is niet te achterhalen, maar het is een gegeven dat er in de totaliteit van alle zijn iets is dat zich losmaakt uit het zijn en dat ‘ik’ zegt, alsof het het middelpunt is van het universum. Dit ‘ik’ kent zichzelf een groter belang toe dan al het andere, terwijl het op de keper beschouwd niet op zichzelf bestaat en niet op zichzelf kan bestaan. Het ziet dat niet, want het is blind.

Deze blindheid, die onwetendheid is, is het begin van alle lijden. En het is tevens het begin van de kennis van goed en kwaad.

Blindheid, inkrimping van bewustzijn tot geïsoleerd ik-besef, is zonder begin, maar zelf wel het begin. Het levensspel begint met onwetendheid. Als het spel tot het einde wordt gespeeld, blijkt blindheid niet iets afzonderlijks te zijn, maar opgenomen te zijn in verlichting. Het kwaad, dat een geïsoleerde kracht leek te zijn, blijkt volmaakt passend onderdeel te zijn van het grote mozaïek.

Het geïsoleerde kwaad – of dat nu het kwaad in mijzelf is of in de wereld – is niet een oorspronkelijke kracht. Het is niet zo dat tot in de diepste diepte kwaad staat tegenover goed.

Zo lees ik ook het verhaal in Genesis over het paradijs. Daar wordt gezegd dat het paradijs – de staat van eenheid – verlaten wordt zodra er een afhankelijkheidsrelatie ontstaat met de slang (die, laten we dat niet vergeten, net zoals de mens door God geschapen is en een bewoner is van het paradijs). In die afhankelijkheidsrelatie (die ik hechten noem) wordt er gegeten van de boom van de kennis van goed en kwaad, vervolgens treedt er schaamte op en wordt die serieus genomen, vervolgens komt er een heimelijkheid en een zich verbergen en tenslotte wordt de schuld aan anderen toegekend. Dan is de eenheid gebroken. Het paradijs wordt verlaten, de wereld van de dualiteit wordt ingegaan. En daar is dan meteen Kaïn die jaloers wordt op zijn broer, die zich buitengesloten voelt en vervolgens de veronderstelde mededinger doodt. Na die keuze voor de vrucht van de dualiteit (je kunt het ook een bewusteloos rollen in noemen) wordt het kwaad één van de twee polen van de dualiteit en neemt het schijnbaar afzonderlijke vorm aan. Dan lijkt het alsof er een absolute scheidslijn is die dit universum doorsnijdt, met aan de ene kant een goede god en aan de andere kant een kwade god (de duivel). En dan wordt vergeten dat onwetendheid is ingebed in wetendheid of in meer traditionele bewoordingen dat alles in Gods hand is.
Moraliseren
Niet doen dus! Niet van die vrucht eten en goed blijven! Zou je denken. Maar dit niet-doen-dus leidt niet tot eenheid. Het is moraliseren en moraliseren is het politieapparaat van het dualistisch denken. Je kunt het je voornemen, braaf, omdat je het goede wilt, omdat je verlicht wilt worden, maar door braaf te zijn wordt de tweespalt niet opgelost, want tegenover braaf staat stout. En zo rol je juist wanneer je het wilt vermijden in het kwaad. Je roept het op. Zoals Jezus al zei volgens het Evangelie van Matteüs: ‘Weersta de boze niet’ (5:39).
Beheersing vanuit een morele opvatting leidt er mogelijk toe dat je een fatsoenlijk mens wordt, maar het is niet de oplossing voor de grote vraag waar de ervaring van dualiteit ons voor stelt. Wat dat betreft is het een schijnoplossing. Zoals het ook een schijnoplossing is om te ontkennen dat in onze tijdruimtelijke wereld zoiets als het kwaad bestaat. Vele geestelijke zoekers denken dat ze er zijn als ze zeggen dat alles zijn is of eenheid of God. Dit komt tegenwoordig vooral veel voor bij mensen die de Advaita-klok hebben horen luiden, maar niet weten waar de klepel hangt. Die klepel hangt niet in het denken en niet in de woorden, maar in de praktijk van het dagelijks bestaan. Er is pas eenheid als die niet alleen door de periscoop van het denken wordt waargenomen, maar wordt beseft in alle aspecten van het geïncarneerde bestaan. Dus ook als iemand in de tram op je voet gaat staan.
Als met andere woorden besef en concreet beleven één zijn.

[1] The Awakening of Faith, Translated with Commentary by Yoshito S. Hakeda, Columbia University Press, New York, 1967.

 

Geplaatst in Hans' weblog

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*