Hulp (9)

Het is een eenvoudig verhaal. Kinderlijk eenvoudig. Een bekend verhaal ook. Een man verlangt naar vrijheid en blijheid, maar hij is dof, eigenlijk altijd afgesloten, en hij komt tot niets. Toch verlangt hij naar een ander leven, vooral ’s ochtends vlak na het opstaan. En ’s nacht als hij wakker wordt, en dat wordt hij vaak, denkt hij terug aan alles wat hij had kunnen doen. Hij kijkt in de spiegel en lacht tegen zichzelf, maar die ander lacht niet terug. Hij heeft geen grapjes meer en voelt zich lamlendig. Ja, lamlendig, dat is het juiste woord.
Voor het slapen gaan schrijft hij in zijn dagboek: Loodzwaar liggen de bekende gedachten uitgespreid over de dingen. Vreselijk dit weten waarin geen vogel vliegen kan. Dat is een mooie zin, vindt hij. Die klopt in ieder geval. Maar verder heeft hij er ook niets aan.

Dan – want waarom zou je anders zo’n verhaal vertellen? – komt hij een vroegere vriend tegen, die er net zo lamlendig aan toe was als hij, die dezelfde grapjes maakte en dezelfde boeken las, een vriend of in ieder geval een metgezel, die hij regelmatig zag, totdat het contact uitdoofde omdat alles nu wel gezegd was. Hij herkent die vroegere vriend bijna niet omdat hij er zo anders uitziet. Alles aan hem is anders. ‘Wat is er met jou gebeurd?’ vraagt hij. En de vroegere vriend zegt: ‘Ik ben gelukkig.’
Geluk – dat is een woord dat zij vroeger alleen maar spottend uitspraken. Geluk was immers het streven van de burgerman. Geluk met oogkleppen op, noemden ze dat. Oogkleppen voor de werkelijkheid, de totale zinloosheid van het tijdelijke verblijf op deze stervende planeet. ‘Et tu, Brutus,’ zegt hij.
‘Jazeker,’ zegt zijn vroegere vriend, ‘en jij? Zoek jij jezelf nog steeds in je spiegels?’
‘Heel flauw,’ roept hij. Woede rijst in hem op en hij loopt zonder iets te zeggen weg. Hij hoort zijn vroegere vriend zeggen: ‘Kom een keer langs. Je weet waar ik woon.’
Die avond schrijft hij in zijn dagboek de woorden op, alsof het over een ander gaat: Zoekt hij zichzelf in zijn spiegels?  Wat een onzin, denkt hij, maar de woorden branden zich in hem. En hij ziet zichzelf weerkaatst in alles wat hij ziet.

Hij gaat naar de vriend toe om zijn gelijk te halen. Hij verheugt zich op de discussie, maar die komt er niet. Zijn vroegere vriend zegt: ‘Wat is er toch met je gebeurd dat je een vreemdeling bent geworden, een vreemdeling van jezelf en van alles wat leeft?’ Hij vervolgt: ‘Dat is ook met mij gebeurd, zoals jij weet, maar ik ben wakker geworden. Het vrat aan mij, ik werd er gek van.’ Hij loopt naar zijn boekenkast, pakt er een boek uit en slaat het open. Hij leest voor: Wat doorgroeit de mens, dat zijn rad niet draaien kan tussen de handen der broeders? Wat vreet aan hem? Hij geeft hem het boek mee om te lezen.
Die avond, voordat hij gaat slapen, schrijft hij ook deze regels in zijn dagboek, weer in de derde persoon enkelvoud: Wat doorgroeit hem? dat zijn rad niet draaien kan tussen de handen der broeders. Wat vreet aan hem? Vraagtekens, vraagtekens, hij heeft geen antwoord.
Hij droomt dat hij door een raam een licht ziet, maar hij kan niet naar binnen, want er staan drommen mensen voor het huis, mensen van vroeger, van zijn studie, zijn vader en moeder staan er ook, niemand gaat opzij, ze kijken op hun telefoontje en staan met elkaar te praten over belangrijke zaken zo te zien, hij komt er niet doorheen. Als hij wakker wordt, herinnert hij zich dat hij zoiets al eerder heeft gedroomd. Hij is moe en verdrietig.

Hij bladert in het boek. Het valt mee, het is niet van dat zweverige gedoe. Niet de hele tijd in ieder geval.
Hij leest: Het brein is een nuttig instrument wanneer het zijn plaats weet, want op de wezenlijke vragen heeft het geen antwoord. Daartoe moet je de sprong wagen uit je bovenkamer en je hart laten spreken. Het Licht zetelt in het hart.
Hij leest de woorden alsof ze rechtstreeks tegen hem worden gezegd. Toch begrijpt hij ze niet. Hij herleest ze een aantal malen gedurende de dag en noteert ze in zijn dagboek.
Iets verder in het boek leest hij: Ook nihilisme is een geloofssysteem. Er is geen fundamenteel verschil tussen geloven in iets en geloven in niets. Dat zet hem aan het denken. Zou het waar zijn? Hij leest verder: Als je vrijuit wilt gaan, zal je ieder geloofssysteem moeten loslaten, iedere voorstelling.
Dat is ontluisterend, niet bitter ontluisterend, openend ontluisterend. Even ziet hij een oneindige diepte voor zich, er is niets wat hij kan vasthouden, en toch gebeurt alles vanzelf, alle kleuren van de regenboog.
Hij schrijft in zijn dagboek: Als hij vrijuit wil gaan, zal hij ieder geloofssysteem moeten loslaten, iedere voorstelling.

Ze zien elkaar weer regelmatig. De oude bondgenoot is een vriend geworden.
Hij bekreunt zich omdat hij tot niets komt en zo alleen is. Hij zegt: ‘Kan dit ooit veranderen of is het mijn lot? Hoever ik ook terugkijk, zo verkrampt en angstig ben ik altijd geweest.’
De vriend zegt: ‘Al je zonden zijn vergeven.’
Hij reageert verontwaardigd: ‘Hoe kan je dat nou zeggen. Je weet niet wat ik allemaal heb gedaan. Dat is nou echt spirituele lulkoek.’
De vriend reageert laconiek: ‘Nou, dan niet. Als je je liever schuldig blijft voelen.’ Hij vertelt het verhaal van een joodse Rabbi die op de vraag: ‘Hoe komen we te weten dat de zonde is vergeven?’ antwoordt: ‘We komen het daaraan te weten dat we de zonde niet meer doen.’ ‘Dus,’ zegt de vriend, ‘als jij blijft volhouden dat jouw zonden niet vergeven kunnen worden, betekent dat alleen maar dat je je wilt blijven rondwentelen in wat je tot nu toe hebt gedaan en dat je daarmee door wilt gaan.’
De vriend zegt: ‘Ik kan het wel begrijpen, want als het tekort of het gemis niet meer bepalend zijn, is er werk aan de winkel en dat is eng. Dan moet je je bed opnemen en gaan. Gaan, zonder dat je je kunt refereren aan wie of wat dan ook. Wow, dan kan je nergens meer tegenaan leunen.’
Hij heeft eigenlijk maar één vraag: ‘Is het echt mogelijk? Ook voor mij?’
De vriend zegt: ‘Ja.’

Zo gaat het maandenlang, jarenlang. Een doorgaand gesprek tussen vrienden.
Dan komt het moment dat hij in zijn dagboek schrijft: Ik vergelijk mij met niets, niet met een ander, niet met mijzelf, niet met wie ik ben geweest, niet met wie ik kan worden. Ik doe wat ik kan.

Hij komt een oude vriend tegen, eigenlijk meer een kennis dan een vriend. Ze hebben elkaar in jaren niet gezien. De oude vriend kijkt hem aan en zegt: ‘Wat is er met jou gebeurd? Ik herken je bijna niet. Alles aan je is anders.’
Hij zegt: ‘Ik ben gelukkig?’
‘Echt waar? Dat had ik nou nooit gedacht.’ Hij kijkt en hij kijkt en zegt: ‘Zoiets heb ik nog nooit gezien.’

*

Er zijn overal vrienden. Overal is het licht in het hart van het huis. Rond het licht verzamelen zich behoudende krachten, gewoontepatronen, opvattingen en normen, taboes, de waan van de dag. Dat is altijd zo geweest.
Je kunt met die gewoontepatronen etc. de strijd aangaan, je erdoorheen proberen te wringen. Je kunt ze systematisch aanpakken, er zijn vele manieren om dat te doen. Psychologische methoden, christelijke methoden, boeddhistische methoden, iedere geestelijke weg heeft zo zijn methoden.
Je kunt ook de strijd niet aangaan, je niet laten bepalen door de overlevingscomputer, maar het eenvoudig houden en je toevertrouwen aan het licht van het hart.

*

Het moment van bevrijding en de weg tot dit moment worden in de wereldliteratuur op vele manieren beschreven. Er zijn prachtige breed uitgesponnen vertellingen en er zijn ultrakorte, compacte beschrijvingen. Een van de meest pregnante verhalen over de opwekking uit lamlendigheid en de sprong die gemaakt wordt staat in het Evangelie volgens Marcus. Het is eigenlijk ook een komisch verhaal. Het zou een scène kunnen zijn in zo’n gemoedelijke Oost-Europese film:

Toen hij enkele dagen later terugkwam in Kafarnaüm, werd bekend dat hij weer thuis was. 2Er stroomden zo veel mensen toe dat er zelfs voor de deur geen plaats meer was, en hij verkondigde hun Gods boodschap. 3Er werd ook een verlamde bij hem gebracht, die door vier mensen gedragen werd. 4Omdat ze zich niet door de menigte konden wringen, haalden ze een stuk van het dak weg boven de plaats waar Jezus zat, en toen ze een opening hadden gemaakt, lieten ze de verlamde op zijn draagbed naar beneden zakken. 5Bij het zien van hun geloof zei Jezus tegen de verlamde: ‘Vriend, uw zonden worden u vergeven.’6Er zaten ook een paar schriftgeleerden tussen de mensen, en die dachten bij zichzelf: 7Hoe durft hij dat te zeggen? Hij slaat godslasterlijke taal uit: alleen God kan immers zonden vergeven! 8Jezus had meteen door wat ze dachten en dus zei hij: ‘Waarom denkt u zoiets? 9Wat is gemakkelijker, tegen een verlamde zeggen: “Uw zonden worden u vergeven” of: “Sta op, pak uw bed en loop”? 10Ik zal u laten zien dat de Mensenzoon volmacht heeft om op aarde zonden te vergeven.’ Toen zei hij tegen de verlamde: 11‘Ik zeg u, sta op, pak uw bed en ga naar huis.’ 12Meteen stond hij op, pakte zijn bed en ging weg; allen die dit zagen, stonden versteld en loofden God. ‘Zoiets hebben we nog nooit gezien,’ zeiden ze. (Evangelie volgens Marcus 2:1-12, NBV)

(wordt vervolgd)

Geplaatst in Hans' weblog
11 reacties op “Hulp (9)
  1. Jissie Bouwman schreef:

    Beste Hans,
    Mag ik wel ‘Hans’ zeggen eigenlijk ?
    Niet eerder reageerde ik op een schrijven van U.
    Maar zeer geregeld lees ik uw verhalen.
    Té prachtig vind ik ze.
    Bij het lezen van dit verhaal, liepen tot tweemaal toe de tranen over mijn wangen.
    De zinnen: ‘Ik vergelijk mij met niets, niet met een ander, niet met mijzelf, niet met wie ik geweest ben, niet met wie ik kan worden. Ik doe wat ik kan.’ Wanneer ik dat toch zou kunnen.
    Enige dagen geleden las ik dit verhaal al, maar heb het zojuist herlezen en zal het printen waardoor ik er nog eens naar kan kijken.
    Hartelijk dank.

  2. Debbie schreef:

    Dank je wel hiervoor!

  3. Miomi Pront schreef:

    Dank lieve Hans , voor de doorblik in hoe het kan gaan in een mensenleven. Herkenning in een deel van mijn eigen donkere periode. maar ook nu in het samenleven met de mens met Dementie. Nieuw inzicht dat mijn blik mag verruimen in het ervaren van de dag met hem.. Ik kijk uit naar het vervolg…liefs

  4. Martha schreef:

    Dag Hans,
    Ik spreek vrienden die dit ook gelezen hebben en geraakt zijn. Hoe vaker ik dit stuk lees, hoe meer woorden me opvallen en zinnen me ontroeren. Een goed verhaal heeft zo’n milde manier van binnendringen en beseffen. Ook nu weer; het blijkt precies op de zere knop te drukken met waar ik momenteel mee bezig ben. Gossie, wat een wonder. Dank voor dit indirecte directe consult.

  5. carolien bekker schreef:

    Dank Hans. Ik herken Iets.
    Lichtend baken ben ook jij. Licht , als een veertje…
    Zo mooi verwoord….

  6. Janneke Blijdorp schreef:

    “Het brein is een nuttig instrument, maar op de wezenlijke vragen heeft het geen antwoord. Daarvoor moet je de sprong wagen van de bovenkamer naar het hart, en het hart laten spreken”.
    Zo waar! En zo prachtig zoals jij dit elke keer weer verwoord en onderwijst. Dank je wel Hans.

    Hartelijke groet,
    Janneke

  7. Johanna van Fessem schreef:

    Ikwas was treurig en onbestemd toen ik begon te lezen. En nu is alles weer licht in me. Dank je wel Hans.

  8. Of het nu gaat over de kleine grote dingen of de grote kleine dagelijkse dingen, over de bijbel, mysteries of wat dan ook … Hans, ik lees het allemaal. En de ene keer snap ik het, de andere keer niet, maar dat maakt me niet uit. Ik merk dat ik het meteen open als ik in mijn mail een berichtje krijg van een nieuw verhaal(tje). Cadeautjes, die ik van mezelf meteen mag openen. De enige uitzondering in mijn verder zeer gestructureerde werkwijze. Het is prettig vertrouwd na al die jaren. Ik was 29 toen ik het ITIP begon, destijds de jongste in mijn groep. Inmiddels ben ik 61 en besef meer en meer hoe bepalend de jaren met jullie geweest zijn. Vele mooie herinneringen … wat een avontuur … loslaten. Het eerste weekend kwam ik 5 kilo lichter thuis. Dankbaar!

  9. Tine Hoitsma schreef:

    Zo eenvoudig, zo bevrijdend: je zonden zijn je vergeven, houd je er maar niet meer mee bezig, volg maar het licht en ga opnieuw. Als nieuw.
    Dank je wel.

  10. Angelique schreef:

    Prachtig! Ik ga de bijbel steeds meer als een ‘advaita’ geschrift zien. Wat een eye opener om dit deel nu opnieuw en met letterlijk andere ogen te lezen. Dank. ❤️

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*