Prikkende werkelijkheid (6)

Op mijn 22e, vlak voor mijn 23e verjaardag, ontmoette ik de man die ik de leraar van mijn leven ben gaan noemen. Hij leerde mij vooral dat de dagelijkse werkelijkheid een illusie was, zo je wilt een droom, wanneer die niet in overeenstemming was met de werkelijkheid van de geest. Hij liet het niet bij dat inzicht, maar hielp mij me in mijn persoonlijke bestaan actief toe te wenden naar wat ik in deze artikelenserie ‘het’ noem. Zodat ‘het’ de leidraad werd voor mijn doen en laten.
Dat was hard werken. Ik leerde met vallen en opstaan. Mijn gehele bestaan kwam op de helling. Het was een voortdurend loslaten en mij toevertrouwen aan die stille stem, die ik niet kon vastleggen en die mij toch liever was dan wat dan ook. Voortdurend vloog ik uit de bocht en vond ik na een tijdje het spoor terug. Soms op eigen kracht, soms dank zij de hulp die ik ontving. Tot ik na een tijd begon te beseffen dat alles, ook mijn eigen kracht, was ingebed in de Hulp.

Dit inzicht, deze toewending, werd op verschillende manieren beproefd. Net zoals op school, waar je wordt overhoord en proefwerken maakt, word je op de geestelijke weg getoetst en voor vragen gesteld die je op je eigen wijze dient te beantwoorden. Zo word je niet alleen getoetst, maar ook bekrachtigd.
Ook als je uitglijdt en terugvalt, is dat eigenlijk niet zo erg. Je merkt daardoor waar je staat, waar je werkelijk staat. Dat kan, ontnuchterend als het is, positief werken. En wanneer je wel een horde genomen blijkt te hebben, is het sterkend en bevestigend dat het een concrete situatie betreft. Er is niet alleen iets in de binnenkamer gebeurd, nee, je kunt het zien en aanraken: je hebt iets gedaan wat je nooit eerder hebt gedaan. Het is jouw kunstwerk!
Zo’n proefwerk en zo’n kunstwerk was voor mij de geboorte van mijn eerste kind. Het was niet een eindexamen, allesbehalve, maar het was wel een mijlpaal.

Het was hartje zomer, stralend weer, zaterdag 10 augustus 1968. Tilly, mijn toenmalige vrouw zei even na het opstaan: ‘Ik geloof dat het nu begint.’
Wij hadden geen telefoon; ik ging naar beneden, naar de fietsenmaker, om daar de vroedvrouw te bellen. Zij was er een half uur later. Zij onderzocht Tilly, schatte in dat het nog wel even kon duren en zei dat ze rond een uur of zes zou terugkomen. ‘Kan ik nog naar de markt om boodschappen te doen,’ vroeg ik. ‘Zonder enig probleem,’ was haar antwoord.
Alles was in harmonie. Vanaf het moment van de eerste weeën. Alsof wij drieën – Tilly, het kindje en ik – ons binnen dezelfde grote behoedende hand bewogen. Het huis ademde met ons mee. Alles klopte. Ik ging naar de markt, de Albert Cuyp, en daar liepen we samen, ‘het’ en ‘ik’, en kochten wat nodig was. ‘Ik’ binnen ‘het’. Op de terugweg zag ik mijzelf, alsof ik achter mezelf aan fietste – de fiets met de twee volgeladen tassen aan het stuur, de donkergroene watermeloen op de bagagedrager onder de kruislings gespannen snelbinders en de jonge man die daar naar huis ging. Alles in vrede.

Toen ik thuis kwam, ging het heel snel. De afstand tussen de weeën werd korter en korter en de weeën werden scherper. Het werden persweeën. Het was voor ons beiden de eerste keer, maar zo voelde het niet. Hiervoor, voor dit heilig vanzelfsprekend gebeuren, waren we bij elkaar. Tilly zei: ‘Ik voel dat het komt.’ Ik keek, en ja, daar zag ik het hoofdje. Ik zei: ‘Wacht even, ik moet de vroedvrouw bellen.’ Terwijl ik de trap af roetsjte, dacht ik: ‘Het kindje is dood.’ Ik wist het zeker. En vervolgens: ‘Als het een jongen is moet hij Jozef heten,’ want ik had net gelezen dat Jozef God geeft en God neemt betekende. Beneden bij de fietsenmaker stond het vol mensen. Het dubbeltje dat ik in de automaat wilde stoppen viel op de grond. Ik keek in verbazing toe. Ik dacht: ‘Is hij nou echt zo zenuwachtig?’ Ik merkte er zelf niets van. De vroedvrouw zei dat zij er meteen aan kwam – het zou nog een minuut of twintig duren. Ik ging weer naar boven, waar Tilly op mij lag te wachten. Ik zei tegen haar: ‘Het kindje komt eraan. Ik ga het halen.’ Het hoofdje kwam eruit. En alsof ik het al ontelbare malen had gedaan, nam ik het hoofdje in mijn handen en hielp het kindje naar buiten. Als een zilvervisje schoot het omhoog. Ik hield het in mijn handen – een piepklein meisje – en toen begreep ik dat het echt dood was. Het bewoog niet. Geen trilling. Geen geluid. Niets. Ik dacht: ‘Ik moet alles doen, zoals het gedaan moet worden.’ Ik stak mijn vingers in haar mondje en trok slijm naar buiten, keerde haar om, en tikte haar van achteren op de schouders en op de billen. En toen, toen opeens, begon ze te schokken en te huilen. ‘Ze leeft, Tilly,’ riep ik. Ik huilde van blijdschap. ‘Ja, natuurlijk,’ zei zij.
Zo waren we daar samen, met zijn drieën, tot de vroedvrouw kwam, die Tilly en de baby (Merel heette ze, wisten we nu, en niet Jozef) onderzocht. Beiden verkeerden in perfecte staat. Tilly was niet ingescheurd. De baby lag vredig op haar buik. De vroedvrouw gaf mij een compliment. Ik was trots en vooral dankbaar.
Trots omdat ik, in al mijn eigenwijsheid niets op eigen houtje had gedaan en mij had laten leiden, gehoorgevend van moment tot moment. En ik was dankbaar dat wij zo werden geleid. Dubbel dankbaar nu omdat ons kindje leefde.

Ik heb er nog vaak over nagedacht waarom ik er toch zo van overtuigd was dat het kindje dood was. Op het moment zelf maakte het geen verschil. We deden wat we moesten doen en het licht week geen moment. Maar toen het wonder gebeurde en zij toch levend bleek te zijn, brak er binnen het licht een nog groter licht door – het licht van genade. Het werd mij duidelijk, niet alleen toen, maar ook steeds weer later, terugkijkend, dat ik mijn kind het leven niet had gegeven en ook niet kon geven. Het leven was een wonder. Een opstanding uit het duister. Genade.
Ik was niet alleen meditatief in vrede. Wat mij werd gegeven was groter en volstrekt anders dan wat ik zelf ooit kon bewerkstelligen. Zo kreeg ik een eerste glimp van wat weerloosheid en dienstbaarheid betekende. Het was noodzakelijk voor mij te beseffen dat ik niet de maker was, maar uitvoerder en dienaar.

Het licht dat mij toen opging is gebleven en het is toegenomen. Ik ervaar het niet alleen bij mijn kinderen, maar ook bij mijzelf en mijn vrouw, mijn leerlingen, mijn vrienden: het leven is gegeven. Het is genade en onttrekt zich aan iedere verwachting en aan alle bemoeienis. Het is aan mij en aan ons om het leven volop te leven zoals het wordt gegeven. Het is genade.En soms is er goede genade[1].
Zoals die zaterdag hartje zomer in 1968.

(Wordt vervolgd)

[1] Ik refereer voor de zoveelste keer aan de tekst over Rabbi Sussja:
Rabbi Sussja kreeg de vraag: ‘Wij bidden: “Bewijs ons goede genade” en “Die goede genade bewijst.” Is dan genade niet altijd goed?’
Hij legde uit: ‘Natuurlijk is genade altijd goed. Maar de waarheid is dat alles wat God doet genade is. Alleen de wereld kon de naakte volheid van zijn genade niet verdragen. Daarom heeft hij ze in gewaden gekleed. En zo vragen wij Hem dat ook het gewaad goed moge zijn’. (Uit De Chassidische vertellingen van Martin Buber)

 

Geplaatst in Hans' weblog
5 reacties op “Prikkende werkelijkheid (6)
  1. Debbie schreef:

    Heel helend en heel herkenbaar wat je schrijft over dat ‘uitglijden en terugvallen juist positief kunnen werken, omdat je daardoor merkt waar je werkelijk staat’. Dat wijst me erop dat mijn geneigdheid om streng over mijzelf te oordelen als ik weer eens uitglijd en terugval in een bekende slechte gewoonte, net zo’n slechte gewoonte is. Dank je wel!

  2. frederique van deursen schreef:

    Tot tranen geroerd vanuit De Genade…

  3. Nel schreef:

    Wondermooi. Dank je wel.

  4. Erica schreef:

    Wat een stille ontroering, dit is voor mij echt toevertrouwen.
    Dank hiervoor.
    Lieve groet
    Erica

  5. Eva schreef:

    Hans, ‘het’ komt door jouw woorden ook dichter bij mij, wordt tastbaar af en toe. Dank je wel. Eva.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*