De meester en de leerling (15)

Ik vind het heel erg mijn vrouw beetje bij beetje te verliezen. Het is waar, ik maak dat niet mooier, dat zij nog steeds hier is, met haar glimlach en de blik in haar ogen waarvan ik zoveel houd, helemaal Hanneke, maar tegelijkertijd brokkelt zij ook weg en vergeet zij wie zij is, waar zij is en hoe het was.
Ik mis haar, de vrouw met wie ik was, en ik weet dat ik nog veel meer zal missen, want alles wat persoon is zal oplossen. Ik mis het dat we ons gesprek niet kunnen voortzetten, omdat zij meestal na een paar minuten niet meer weet waarover wij spraken. Ik mis haar lange aandacht.
Soms wilde ik dat zij dood was, want dan was het gebeurd en dan kreeg ik tenminste die hele bak zwart in één keer te verwerken. Ik kan het mij best voorstellen dat mensen voor euthanasie kiezen, ik doe het niet, zij doet het niet, het is onze weg niet, maar ik begrijp het wel, want dat langzame, onontkoombare verlies is verschrikkelijk.
Ik kan, zonder dat ik mij hoef in te spannen, veel positiefs zeggen over deze acht jaar dat zij nu Alzheimer heeft, want haar ziekte heeft ons beiden veel goeds gebracht, onze liefde is verdiept, er is nabijheid zonder meer, we zijn zo bloot, zo samen, maar ik wil nu ook iets zeggen over dat andere, dat er net zozeer is: het gemis en het verdriet.
Het doet pijn haar te zien lijden, hoe zij worstelt met woorden, hoe zij verward de ochtend ingaat, het is naar haar in zichzelf verloren te zien en te beseffen dat de hersencellen die zijn weggebrand echt weg zijn. Zij, de vrouw die ik kende, de metgezel van mijn leven, komt nooit meer terug, nooit meer in die vorm, in die gedaante. Zij leeft nog steeds, maar zij is ook overleden. Ik leef met haar en zorg voor haar en heb haar lief, en tegelijkertijd ben ik in de rouw omdat zij toch ook al is gestorven. Dat wringt en botst. Zij gaat, ik voel haar gaan terwijl ik haar in mijn armen heb.

Ik vertelde haar dit gisteren, zoals ik het nu schrijf, en daarin waren we weer helemaal samen. Zij beleeft op haar manier hetzelfde. Zij is hier en zij is al vertrokken. Zij heeft lief en zij is in de rouw. Wij houden van elkaar, wij zijn elkaars vrienden en geliefden, en het bestaan verbrokkelt.

*

Terwijl ik dit neerschrijf, denk ik: dit is niets bijzonders, het is ook niet voorbehouden aan mensen die de ziekte van Alzheimer hebben en hun geliefden, want zo is het leven, dit is wat gebeurt, niets is permanent en we kunnen niets vasthouden. En wanneer dat besef er is, op dat kruispunt, valt alle geloof weg en alle hoop. En dan is er alleen nog, zoals ik het noem, die heldere oprijzende zuil van licht, waaraan je je kunt toevertrouwen. Pure aanwezigheid. Dat of duisternis. Dat of ‘overeind blijven’ in afwijzing.

Zo is de werkelijkheid die ik zie. Dit gaat op voor mij en het gaat op voor jou. Het enige is dat ik nu bewust aan de beurt ben en dat ik dit zicht doorgeef. Ik weet het. Ik besef dat dit de werkelijkheid is. En ik schrijf erover, omdat ik zo ben, en ook, vermoed ik, omdat het erkennen van de werkelijkheid de grootste troost is. Troost die niet sust, die niet belooft, die beaamt en aanraakt, vrijlaat en vertrouwt, omdat dat evenzeer eigen is aan de werkelijkheid. Troost voor mij. En mogelijk ook voor jou.

*

Dit nu sluit precies aan bij wat ik in de vorige aflevering schreef. Ik ga verder met mijn verhaal.
Ik vertelde dat ik nergens meer in geloofde, het was iets meer dan 50 jaar geleden, dat ik alleen was en in de afgrond keek en daarmee leerling werd. Ik zag de leegte, dat was goed gezien, maar er ontbrak iets aan: de liefde was er niet, er was geen vertrouwen. Ik verwarde zonder geloof zijn met zonder vertrouwen zijn en werd daardoor star en angstig in mijn denken en handelen.
Mijn kijk was kil en afstandelijk, in mijn handelen was ik verre van moedig en daardoor kwam ik steeds verder weg van de praktijk van het dagelijks bestaan. Ik moest een sprong maken, vele sprongen maken, mijn onmacht erkennen en mijn hoofd buigen.

Toen kwam een beslissende droom, waarin het ging om springen of niet-springen, met een voor mij volkomen onverwachte uitkomst. Hulp van de meester, zeg ik nu.
De droom begon ermee dat ik een lift in ging. De lift sloot zich en ging omhoog. Opeens vielen de wanden weg. Ik keek omlaag en zag ver beneden onder mij een bont marktplein, waar het wemelde van de mensen. Het was heel kleurrijk daar beneden. Ik was niet bang, ik keek. Toen begon de vloer van de lift in te krimpen. Nu werd ik wel bang. Ik klampte mij vast aan de twee stalen kabels. Hoger en hoger ging het. Kleiner en kleiner werd de grond onder mijn voeten. Ik had bijna geen houvast meer. Ik keek om mij heen. Even verderop zag ik een galerijflat in aanbouw. Hij was bijna klaar. Misschien kon ik het inkrimpende platformpje waarop ik stond in een schommelende beweging brengen en mijzelf naar die galerijflat slingeren, zodat ik door een raam in een van die flats kon duiken. Ik zag dat bijna alle huizen al van glas waren voorzien. Er was nog maar één raam in één huis open. Maar daar zag ik ook al de glazenmakers aankomen op de galerij; zij liepen achter elkaar en hadden de laatste ruit tussen zich in. Ze waren er bijna. Ik kon nu niet langer wachten! Ik liet de kabels los en sprong. Ik suisde door de lucht, in een duikvlucht, vlak langs het scherpe glas van de glazenmakers, door het raam. Op het moment dat ik naar binnen dook, zag ik naast het raam een naambord. Daarop stond met grote letters: Psychiater.

(wordt vervolgd)

Geplaatst in Hans' weblog
9 reacties op “De meester en de leerling (15)
  1. Victorine schreef:

    Lieve Hans, zeer aangrijpend wat je schrijft . Ik hou van jullie.
    Wat ik zelf ervaren heb is dat op de bodem van het verdriet troost ligt en uiteindelijk vreugde vanwege de troost die de beleving van de pure werkelijkheid biedt.
    Victorine

  2. Wilma Post schreef:

    Lieve Hans,
    Dank.
    Zelfs op afstand ben je nog steeds helper in mijn leven.
    De troost die je biedt door de acht jaar van jou te delen met de vier jaar van het afscheid van mijn dochter, is vol van betekenis.
    Dankbaarheid zit soms in kleine verborgen hoekjes.
    Ik weet je dragende liefdeskracht,
    Wilma Post.

  3. Maarten Bremer schreef:

    Schrijnend en verschrikkelijk, om te lezen laat staan om door te maken. Maar ook dit moet onder ogen gezien worden. En dan je toch weer toevertrouwen. Dankjewel voor je openhartigheid.

  4. Wouter Langeler schreef:

    Ach …
    Zo fijn dat je dit schrijft.
    Wat het met jou doet en dat er geen ontsnappen aan is.
    En dat het tegelijk troost is.
    En dat het alles doordringt

  5. Richard schreef:

    Het afbrokkelen van wat is. Het verlies van houvast. Wetend dat het vasthouden aan de oude werkelijkheid geen soulaas biedt. Ik ken dat. Wat fijn dat je naast de beschrijving van de opbrengst van deze verschrikkelijke werkelijkheid expliciet schrijft over de rouw. Dat helpt. Ook met het verlies van mijn dierbare vriendin.

  6. marianlamboo schreef:

    Lieve hans,

    Heel erg fijn dat je hierover schrijft. En ook hoe je erover schrijft. Herkenbaar.
    Ik denk geregeld aan jullie en leef met jullie mee voor zover dat mogelijk is.
    Ik voel me met jullie verbonden en ook met de weg die jullie gaan, die we allemaal gaan.
    Dank je wel.
    Groet en liefs Marian

  7. Janneke Blijdorp schreef:

    Als alles waar je houvast aan dacht te kunnen ontlenen, weg valt rest waanzin of vertrouwen. Niet een keus die je met je verstand kunt maken. Een magisch gebeuren dat je achteraf slechts kunt “verklaren” als Genade.

  8. Petra schreef:

    Het verdriet van het verlies en het toevertrouwen aan het licht, universele thema‘s, die resoneren binnen mijn werkelijkheid. Onnavolgbaar mooi en precies beschreven. Dank je wel dat je dit deelt Hans

  9. Peter schreef:

    Toevertrouwen, ja, want niets is permanent. Het vluchtige glijdt door je vingers voor je het vast had kunnen pakken. Zo is het.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*